Alexis de Tocqueville

‘De Revolutie heeft, in een krachtige en pijnlijke inspanning, zonder overgang, zonder waarschuwing, zonder respect, verricht wat ook vanzelf, gaandeweg en op de lange duur zou zijn geschied.’
- L’ancien régime et la révolution (1856)

In de Rotterdamse mega-boekhandel Donner zou je tot twee weken geleden, toen eindelijk een nieuwe vertaling verscheen, geen enkel boek van Alexis de Tocqueville aantreffen bij de splitlevelsectie met filosofische hoofdwerken. Hobbes’ Leviathan staat er evenals Machiavelli’s De heerser, maar geen Over de democratie in Amerika, noch Over de Franse Revolutie. Voor die werken moet je trapje op naar de politieke-wetenschapsboeken. Daar staat – tussen boeken over Den Uyl en Drees – een contemporain verzamelwerk met de belangrijkste gedeelten van De Tocquevilles werken. Het is na een secure studie gelegitimeerd te concluderen dat De Tocqueville eerder een politiek analist was dan politiek filosoof zoals Hobbes dat bijvoorbeeld was. De verdienste van De Tocqueville ligt in het gegeven dat hij al beredenerend tot het inzicht kwam dat bepaalde vormen van radicalisme – zoals bij revoluties – nooit de beoogde vrijheden en veranderingen profijtelijk bewerkstelligen. Revoluties leiden eerder tot nieuwe vormen van despotisme en megalomanie. Het gradueel doorvoeren van veranderingen blijkt een heilzamere werking te hebben op een gemeenschap dan hemelbestormende politieke omwentelingen. Het was vanuit deze kerngedachte dat De Tocqueville zijn boeken en verhandelingen schreef.

Het is zinnig om een idee te krijgen van Tocquevilles ontwikkeling alsmede de tijd waarin hij opgroeide. Het geeft namelijk meteen een beeld van de turbulente tijd waarin revoluties en machtswisselingen hoogtij vierden.

Op 29 juli 1805 wordt Alexis Charles Henri Maurice Clérel de Tocqueville geboren als derde kind van Hervé en Louise de Tocqueville. De familie heeft een directe band met het ancien régime en heeft onder het juk van Robespierre veel familie zien sneuvelen op het schavot. De jeugd van de jonge graaf De Tocqueville verloopt echter probleemloos, zo niet zorgeloos behalve het feit dat zijn ouders, mede door de belevenissen ten tijde van Robespierre, een zwaarmoedige stempel op de jonge aristocraat drukken. Het politieke tij was weliswaar rumoerig, maar (nog) niet op drift geraakt. Pas als het koningshuis Bourbon na een bloedige revolutie valt en een burgerkoning de macht opeist, geraakt De Tocqueville in gewetenswroeging. Hij voelt er weinig voor om zijn toewijding te schenken aan iemand die middels – in De Tocquevilles optiek oneigenlijke – machtsovername het land bestiert. Hij legt de eed van trouw af die de nieuwe koning van hem verlangt, maar wel met pijn in zijn hart. Na veel wikken en wegen is De Tocqueville tot de conclusie gekomen dat Frankrijk weer bestuurd moet worden, middels een democratische procedure. Hij beseft dat dit proces nog lang op zich zal laten wachten, maar is overtuigd dat Frankrijk de erfenis van alleenheerschappijen van zich af moet schudden en zich op moet maken voor de democratisering. Dit blijkt ijdele hoop. De nieuwe koning blijkt een man te zijn van weinig kwaliteiten en de zo begeerde democratisering blijkt ongecomponeerde toekomstmuziek te zijn.

De Tocqueville blijft echter de hoop op een betere – lees, democratische – samenleving koesteren en sluit in deze periode, ongeveer rond 1830, vriendschap met de eveneens aristocratische Gustave de Beaumont. Het blijkt een vriendschap te zijn die voor beide partijen als zeer bevredigend wordt ervaren. De Beaumont is zeer krachtig en welbespraakt: twee eigenschappen die volgens beschrijvingen De Tocqueville niet ten deel waren gevallen. De twee kunnen het zo goed met elkaar vinden dat ze in 1831 op orde van de minister van Buitenlandse Zaken samen naar Amerika vertrekken om het strafrechtsysteem te bestuderen. Het blijkt een fysieke beproeving te zijn. De Tocqueville en De Beaumont weten zich door de meest onmogelijke klimatologische omstandigheden heen te worstelen en komen gaandeweg in rustiger vaarwater als ze in de buurt van New York zich aan het onderzoek wagen. Gedurende deze periode onderzoeken de twee hoe het strafsysteem in Amerika zich vertaalt naar de praktijk. De gevangenissen in Amerika blijken – in tegenstelling tot de middeleeuwse cachotten in Frankrijk – goed te functioneren want de gevangenen moeten overdag met elkaar werken en zijn slechts ‘s nachts geïsoleerd. Het onderzoek in de penitentiaire inrichtingen blijkt als een prefiguratie te dienen van een onstuitbare fascinatie naar de kern: de politiek in Amerika.

De voornaamste vraag die De Tocqueville bezigt is: hoe is het mogelijk dat in een theoretische goed functionerende democratie iedereen rechten heeft en daarnaast gelijkheid en vrijheid probleemloos kunnen coëxisteren? Let wel, De Tocquevilles enige echte toetssteen was natuurlijk het 19e eeuwse Frankrijk met het bloeddoordrenkte preludium van de revolutionaire 18e eeuw. Het adagium ‘Vrijheid, gelijkheid, broederschap’ lijkt na een onderzoek naar wat die woorden echt behelzen, moeilijk (zo niet onmogelijk) met elkaar te verenigen. De Tocqueville poneerde de stelling: zal de vrijheid de gelijkheid niet bijten of zelfs opheffen en vice versa? Zijn het geen begrippen die juist ten koste zullen gaan van elkander? Het zijn juist deze vragen en uitwerkingen van onderzoek waar De Tocqueville zijn vermaardheid aan dankt. De twee delen van zijn hoofdwerk De la démocratie en Amérique uit 1835 en 1840 hebben nog niet aan actualiteit ingeboet gezien de universele en profetische lading van de werken.

Het meest tot de verbeelding sprekende gedeelte van De Tocquevilles werk is wel het schrikbeeld dat hij schetst van een welhaast almachtige overheid die de burger overstelpt met regels en voorschriften met als doel het beknechten van de burgers omwille van het welzijn en veiligheid van diezelfde burgers. De lust om vrij te breken van deze verstikkende macht wordt gaandeweg in de kiem gesmoord en gaandeweg zwicht iedereen voor deze overmacht. Resultaat: een populatie van dociele burgers die – uit angst om buiten de boot te vallen – zich niet gestimuleerd voelen zich af te zetten tegen de regelneverij van bovenaf, maar zelf in staat zijn zich in hun behoeften te voorzien. Het is met dit schrikbeeld dat De Tocqueville ons waarschuwt voor de verstikkende kracht die het socialisme in zich meedraagt: een overheid die als dompteur alle, naar haar mening, abjecte trekjes van de burger met corrigerende zweepslagen tot modelburgers maakt. Het is dan ook een misverstand om socialisme en democratie gelijk te trekken. In een democratie is de mens een individu met alle eigenschappen van dien. Het zijn juist deze eigenschappen die in een socialistisch bewind niet erkend worden als zodanig. Socialisme betekent dan vrijwel: slavernij voor de eigen bestwil.

De Tocquevilles werk geldt als voorspellend omdat hij in een zeer vroeg stadium al sprak dat er een onvermijdelijke strijd zou plaatshebben tussen grote mogendheden, te weten een democratische en socialistische. De link naar het doorgeslagen socialisme ten tijde van de Sovjet-Unie enerzijds en het ultraliberale Amerika anderzijds, is dan snel gelegd. De Tocquevilles feilloze analyses zijn ook te bewonderen in zijn studie L’ancien régime et la révolution uit 1856. In dit boek zoekt hij naar de omstandigheden en visies die ten grondslag hebben gelegen aan de Franse Revolutie. Een opmerkelijke conclusie van dit onderzoek is dat de hang naar vrijheid – die de revolutie enigszins heeft getriggered – na de revolutie als eerste weer is verdwenen. De ene tirannie werd voor de andere ingeruild. Het gezag zal van bovenaf regels opleggen en zal alles op alles zetten om alle neuzen van de bevolking eenzelfde kant uit te laten wijzen. Wederom benadrukt De Tocqueville dat alomtegenwoordige overheidsbemoeienis inherent is aan slavernij en dat revoluties geen gezonde democratie kunnen afdwingen. Hij erkent wel dat de instituties zoals die voor de revolutie bestonden al bezig waren zichzelf op te heffen gezien het centralistische karakter van het prerevolutionaire monarchale Frankrijk. Het koningshuis duldde geen machtige adel en beperkte die dusdanig op alle terreinen. De verhoudingen waren dus al verstoord voordat ook maar één revolutionair de barricade op ging. De Franse Revolutie gold als icing on the cake van het hele proces dat zich voor die tijd had voltrokken. Ook hier voerde De Tocqueville het bewijs op dat de gelijkheid die de revolutionairen af wilden dwingen, de vrijheid impliciet bedreigde van het gros van de bevolking. Immers, de ontwikkeling die na de Franse Revolutie zich op politiek vlak ontplooide, stond grotendeels in het teken van een vorming van een nieuw absolutistisch gezag.

Het is vanuit deze denkprestaties en krachtige analyses dat De Tocqueville vandaag de dag eerder wordt beschouwd als politicoloog dan wijsgeer. Daarnaast kan dit ook bekrachtigd worden vanuit de wetenschap dat De Tocqueville zelf ook Kamerlid werd in 1839 en dit twaalf jaar bleef. Gedurende deze tijd waarschuwde hij voor alles wat hij in zijn boeken als nachtmerrie etiketteerde: onbezonnen revoluties en een almachtig staatsbestel.

- Daan de Neef

Comments are closed.