Augustinus

“Alsof hij van één vijand ooit meer onheil zou kunnen ondervinden dan van die haat waardoor hij tegen zijn vijand geprikkeld wordt! Alsof hij ooit iemand door hem achterna te zitten zwaarder kon havenen dan hij zijn eigen hart havent door zijn haat.”

Sint Augustinus werd in 354 geboren in Tagaste, Noord-Afrika. Hij had aanvankelijk een levensstijl die vaak als bandeloos wordt aangemerkt. Dit is gebaseerd op de beroemde passage uit zijn Belijdenissen (Confessiones). Langzaamaan begon Augustinus te geloven dat het christendom de enige ware religie was. Toch bekeerde hij er zich toen niet toe, omdat hij dacht dat hij nooit een goed leven zou kunnen leiden. Op een dag hoorde hij over twee mannen die waren bekeerd door te lezen over het leven van Sint Antonius. Hij schaamde zich toen diep en begon ook zelf de klassieken te bestuderen. Hij las onder meerover het leven van Paulus, die schreef dat mensen het leven van Jezus moesten imiteren. Ook bestudeerde hij de Hortensius, een dialoog van Cicero, waarvan thans nog maar enkele fragmenten resteren. Dat was voldoende voor Augustinus, die toen 31 was. Op dat moment begon hij een nieuw leven. Hij werd gedoopt, werd priester, bisschop en Kerkvader. Augustinus overwon drie golven van ketterij: die van de manicheisten, de Donatisten en Pelagianen. Hij was ascetisch en steunde de armen. “Te laat ben ik van U gaan houden,” zei hij ooit tegen God. Zijn latere vorm is in ieder geval zeker een compensatie voor die late liefde.

Het is bovendien echter de vraag of Augustinus wel zo’n afkeurenswaardig leven leidde. De bovenbedoelde passage is er nu juist een die niet op de traditionele manier dient te worden geïnterpreteerd — kort gezegd: Augustinus overdrijft. Hij toont enorm veel berouw over de zondigheid van een perendiefstal uit zijn jeugd, over zijn twijfel over het bestaan van God en over de vraag of Hij een menselijke vorm heeft. De befaamde seksuele uitspattingen van Augustinus, die door moderne schrijvers bij herhaling wordt geciteerd, kunnen eveneens worden gebaseerd op een nauwkeurige lezing van de Confessiones.

Augustinus ging ervan uit dat we geen perfectie moesten zoeken in een staatsvorm. Zijn theorie over de rechtvaardiging van de staat hield in dat de overheid nodig was vanwege de zondeval, oftewel de erfelijke morele ziekte waaraan we allen lijden en die alleen door Gods genade kan worden genezen. Zijn theorieën over de zondeval maken hem een belangrijke contribuant van het conservatisme, vanwege het immers voor deze politieke filosofie zo bepalende mensbeeld.

Augustinus ontdekte dat al in het Neoplatonisme op het christendom werd gepreludeerd; wat het christendom toevoegde was het geloof in de menswording en de daaropvolgende verlossing. Het christendom slaagde erin om mensen te laten zien hoe te leven, waar zelfstandige filosofische reflectie faalde. Het christendom voegt iets toe aan de klassieke traditie.

Zijn filosofie is altijd concreet en ontleend aan persoonlijke ervaringen. Zoals gezegd geloofde Augustinus dat het christendom de enige ware religie was, dat Waarheid één is en dat God de Waarheid is. Wijsheid geeft kennis van de Waarheid, dus de zoektocht naar de Waarheid is een zoektocht naar kennis, zo redeneerde hij. De sceptische Academici, die de overtuiging hadden dat de wijsheid bestaat uit het weten dat we niets weten, stelden Augustinus de vraag “Hoe wordt een mens wijs?” want om wijs te worden moeten mensen verlangen naar wijsheid die ze missen. Maar dit verlangen impliceert kennis van hetgeen waarnaar wordt verlangd. Daarom impliceert het verlangen naar wijsheid tegelijkertijd het ontbreken en het bezitten van wijsheid. Augustinus gaf een tweeledig antwoord: het eerste was, “Als ik me vergis, ben ik” (“Si fallor, sum”); het tweede was ontleend aan de profeet Isaiah 7:9: “Tenzij je gelooft, zul je het niet begrijpen.” Alleen geloof verschaft de basis voor de queeste naar Wijsheid, omdat geloof weten en niet-weten tezelfdertijd is; het maakt de liefde mogelijk van iets wat niet wordt gekend, en het stelt het verlangen in staat om van iets te houden waarvan nog niet wordt genoten.

Augustinus schreef onder andere het genoemde, quasi-autobiografische Belijdenissen, dat het archetype werd van alle erop volgende autobiografieën. Verder schreef hij Stad van God (Civitas Dei), een christelijke visie op de geschiedenis van de mens. Hierin onderscheidde hij religie en moraal van politiek en poogde de juiste onderlinge betrekkingen van deze drie aan te geven. Hij pleitte voor de strikte onafhankelijkheid, zo niet de regelrechte superioriteit, van de kerk over de staat. Het doel van het boek was het herstellen van het vertrouwen in de kerk, waarvan Augustinus dacht dat deze de plaats van de aardse stad Rome zou innemen. Gedurende de Middeleeuwen ondersteunde dit boek sterk de gedachte dat de kerk boven de staat stond.

Bibliografie

  • Gary Wills, St Augustine (1999).
  • Mary T. Clarke, Augustine (1996).
  • Richard Price, Augustine (1997).

Comments are closed.