Samuel von Pufendorf

“It is foolish to conclude that, since states have instituted different laws on grounds of profit, it follows that there is no natural and eternal law.”

Samuel freiherr von Pufendorf (1632–1694) behoort tot de klassieke denkers van het natuurrecht en het internationaal recht. Pufendorf heeft echter, in tegenstelling tot tijdgenoten als Thomas Hobbes en Hugo de Groot, relatief weinig aandacht gekregen. Dit komt onder meer doordat hij anders dan Hobbes en (in mindere mate) De Groot een meer traditioneel standpunt verdedigde. Het wegmoffelen van Pufendorf past in het plaatje van de zogeheten ‘teleologische geschiedsinterpretatie’ (ook wel, minder accuraat, de ‘Whig interpretation of history’ genoemd) waarin de geschiedenis van het denken wordt geschetst als de langzame mars voorwaarts vanuit het duistere verleden naar de verlichte moderne tijd, van Plato tot Nato. Als bijproduct van dit geloof in de voortdurende voortuitgang in het menselijk denken worden alle denkers “ter rechterzijde” — grofweg zij die het niet eens zouden zijn met de principes van de Franse Revolutie — terzijde geschoven en genegeerd.

Samuel Pufendorf werd geboren in Dorchemnitz in Saksen als zoon van een Lutheraanse pastor. Hij studeerde theologie, wiskunde en rechten aan de universiteiten van Leipzig en Jena, waar hij onder invloed stond van de filosofische wiskundige Erhard Weigel. Na het doorlopen van de universiteit werkte Pufendorf als tutor van Zweedse aristocraten die in Denemarken woonde. Tijdens de Zweeds-Deense oorlog werd hij voor acht maanden opgesloten in Kopenhagen wegens zijn Zweedse connectie. In die tijd schreef Pufendorf zijn eerste werk, Elementorum jurisprudentia universalis (1660) (Over de elementen van een universele jurisprudentie), waarin hij gedachten van Hobbes en De Groot uitlegt en verder uitwerkt. Dit boek leidde tot een beoeming als professor in het natuur- en internationaal recht in Heidelberg. Hier schreef Pufendorf geruchtmakende werken als De Statu Imperii Germanici, over de fouten van het Habsburgse politieke systeem. Naar aanleiding van hevige kritiek op dit laatste werk week Pufendorf uit naar Zweden. Hij doceerde in Lund en was politiek adviseur van de Zweedse koning. Pufendorf beëindigde zijn carrière in dienst van het Pruisische hof. Vlak voor zijn dood verleende de Pruisische vorst hem de titel van baron.

Pufendorfs magnum opus verscheen in 1672 onder de titel De Jure Naturae et Gentium (Over het Natuur- en Volkerenrecht) van welke massieve werk in 1673 een (veelgelezen) ‘studentenversie’ verscheen als De Officio Hominis et Civis Juxta Legem Naturalem (Over de Plicht van de Mens en de Burger volgens het Natuurecht).

Pufendorfs werk diende drie hoofddoelen. In de eerste plaats probeerde hij de kern van het traditionele of klassieke materiële natuurrecht te redden van metafysische aanvallen op de fundering van het klassieke natuurrecht. Volgens veel filosofen uit die tijd was het natuurrecht zonder basis, omdat het was gebaseerd op een valse teleologie. Maar Pufendorf toonde aan dat natuurrecht niet noodzakelijkerwijs een teleologische natuurconceptie behoeft. In de tweede plaats probeerde Pufendorf een niet-relativistisch natuurrecht in overeenstemming te brengen met de drastisch gewijzigde politieke situatie in het Europa na de godsdienstoorlogen. Pufendorf probeerde zowel Katholieken als Protestanten te bereiken met universeel geldende principes om samenleven mogelijk te kunnen maken en een nieuwe Dertigjarige Oorlog te voorkomen. In de derde plaats probeerde hij een politieke theorie te ontwerpen die de autoriteit van de heersers in het post-Wesfalen-systeem trachtte te waarborgen.

Pufendorf onderscheidde natuurrecht van zowel positief of civiel recht als goddelijk recht. Natuurrecht is niet gefundeerd op gewoonte of gebruik, noch op goddelijke Openbaring, maar op recta ratio, de ‘rechte reden’. De student van het natuurrecht moet volgens Pufendorf daarom “zorgvuldig de natuur van de mens bestuderen.” Pufendorfs studie leerde hem, ten eerste, dat de mens zichzelf meer lief heeft dan wie dan ook en, ten tweede, dat de mens niet gelukkig kan zijn zonder aandacht van zijn soortgenoten. Hieruit vloeide volgens Pufendorf het principe voort van de socialitas. Het natuurrecht leert ons dat iedere mens, voorzover mogelijk, een sociale houding ten opzichte van anderen moet hebben — vreedzaam en redelijk ten opzichte van zijn medemens moet zijn. Vanuit dit concept van socialitas leidt Pufendorf af dat wij uitgebreide plichten hebben ten opzichte van onze medemens, ten opzichte van God en ten opzichte van onszelf.

Pufendorfs betekenis voor het conservatisme ligt vooral in zijn commentaar op de klassieke traditie. Zijn hoofdwerk, De Jure Naturae, is een rijke dialoog met de tweeduizendjarige traditie van de klassieke politieke filosofie. Over het algemeen genomen verdedigt Pufendorf traditionele inzichten, maar omdat hij strijdt tegen nieuwe vijanden als Hobbes en De Groot is Pufendorf gedwongen nieuwe argumenten te bedenken voor oude stellingen. Zijn voorkeur voor het traditionele gedachtegoed maakt hem een interessant voorbeeld van hoe conservatieven in de moderniteit hun traditionele ideën zouden kunnen verdedigen.

Wel moet opgemerkt worden dat Pufendorfs filosofie hier en daar concenssies doet aan nieuwe denktrends. Zo neigt Pufendorf meer naar de plicht- dan naar een deugdenethiek. Hij geloofde dat de klassieke preoccupatie met het gezondmaken van de ziel van de burgers een te ambitieuze taak was. In een gewelddadige tijd die Europa verscheurd had zien worden door interne conflicten, meende Pufendorf dat een systeem dat de vrede zou bewaken goed genoeg zou moeten zijn.

Bibliografie

  • H. Welzel, Naturrecht und Materiale Gerechtigkeit (1990).
  • Hans Welzel, Die Naturrechtslehre Samuel Pufendorfs (1958).
  • De beste biografie blijft Harry Bresslau in de Allgemeine Deutsche Biographie, vol. 26 (1888).

Comments are closed.