Thomas van Aquino

‘It is lawful for man to possess property.. Human affairs are conducted in more orderly fashion if each man is charged with taking care of some particular thing himself, whereas there would be confusion if everyone had to look after any one thing indeterminately.’

Sint Thomas van Aquino werd in 1225 geboren in het kasteel Roccasecca in het Koninkrijk Napels, in de familie van graven van Van Aquino. Hij groeide op in het Benedictijnse klooster van Monte Cassino. Toen hij veertien was werd hij voor de voltooiing van zijn studie naar de universiteit van Napels gestuurd, een van de weinige universiteiten van die tijd waar de volledige Aristotelische doctrine werd bestudeerd. Omdat Thomas nogal gezet en zwijgzaam was werd hij door zijn medestudenten “domme os” genoemd. Aan Albert de Grote worden de profetische worden toegeschreven dat deze os ooit de wereld zou vullen met zijn geloei. In Napels werd hij beïnvloed door de Dominicaanse orde, waarbij hij zich op zijn twintigste aansloot. Thomas is een van de grootste en meest invloedrijke theologen aller tijden. Hij werd in 1323 heilig verklaard en tot Doctor van de Kerk benoemd door Paus Pius V.

Thomas was de meest invloedrijke figuur van het scholasticisme, een filosofische beweging die in essentie geloofde dat kennis een gesloten systeem was. Het scholasticisme was tussen de 11e en de 16e eeuw de dominante filosofische stroming in Europa. Het was een combinatie van religieuze doctrine, studie van de kerkvaders, en van het filosofische en logische werk van met name Aristoteles (en tot op zekere hoogte van Plato).

Waar Augustinus vooral voortbouwde op Plato werkte Thomas Aristoteles’ gedachtegoed verder uit. In tegenstelling tot Augustinus’ overtuiging dat de staat nodig is wegens de erfzonde houdt de Thomistische positie in dat er ook een staat of recht zou hebben bestaan als de erfzonde niet had plaatsgehad, omdat de staat “natuurlijk was voor de mens,” zoals Aristoteles al zei. Thomas geloofde dat deze twee opvattingen onverzoenbaar waren omdat beide op verschillende manieren waar waren. Er is een staat nodig met de zwaardmacht, vanwege de feitelijke wanorde in de maatschappij, die voortvloeit uit de persoonlijk wanorde in de mens. De tweede stelling was dat de mens een zoön politikon, een politiek dier, was en zichzelf door middel van redelijke argumentatie en orde moest beheersen. Deze achtergrond in de conservatieve traditie verklaart de aanwezigheid van enerzijds een politiek realisme ten aanzien van wat van de mens, inclusief zijn zonden, kan worden verwacht en anderzijds een terughoudend optimisme over het belang van menselijke idealen en de aantrekkingskracht van het goede.

Kenmerkend voor Thomas’ werk is de verdediging van een naturalistisch of Aristotelisch christendom – niet alleen in tegenstelling tot de skeptici, maar ook tot de wijdverbreide neiging om neoplatonische termen te gebruiken. Thomas omarmde het gematigde realisme van Aristoteles en was een tegenstander van het platonisme en neoplatonisme dat de katholieke theologie sinds Augustinus had gedomineerd. Op het gebied van de theologie gebruikte Thomas het onderscheid tussen rede en geloof. Terwijl namelijk de platonisten geloofden dat waarheid een kwestie van geloof was, meende Thomas dat geloof en rede twee harmonieuze sferen vormen: theologie en wetenschap kunnen elkaar niet tegenspreken, zo schrijft hij. In zijn visie op het universum is alles als opklimmend naar God gerangschikt. Toch meende Thomas dat de natuurlijke rede tekortschoot wat betreft de goddelijke zaken; hij geloofde dat die sommige maar niet alle aspecten van het geloof kon verklaren. Het kan het bestaan van God en de onsterfelijkheid van de ziel aantonen, maar niet de Drie-eenheid, de Menswording of het Laatste Oordeel. Dit onderscheid is belangrijk. Simpel gezegd komt het er daarom op neer dat Thomas zijn toevlucht zocht tot het geloof – anders gezegd: zaken toeschreef aan het geloof – als de rede niet toereikend was.

Thomas slaagde erin een synthese te creëren van Aristoteles’ filosofie en christelijke doctrine, mogelijk de grootste prestatie van de middeleeuwse filosofie. Deze synthese zou uiteindelijk de belangrijkste filosofische onderbouwing voor de katholieke kerk vormen. Ook tegenwoordig is zijn invloed nog sterk: op alle katholieke onderwijsinstanties die filosofie doceren wordt zijn systeem verplicht voorgeschreven.

Thomas’ werken behelzen onder meer talrijke vertalingen van en commentaren op Aristoteles (die hij overigens in Latijnse vertaling las, daar hij het Grieks niet machtig was), theologische teksten, en de twee werken waarmee hij de meeste faam verwierf: Summa contra Gentiles en de monumentale Summa Theologica, waaraan hij in 1266 begon en wat universeel wordt beschouwd als de kroon op de systematische middeleeuwse theologie.

BIBLIOGRAFIE

E. Gilson, The Christian Philosophy of Thomas Aquinas (1994), Umberto Eco, The Aesthetics of Thomas Aquinas (1988), A. Kenny, Aquinas (1984), John Finnis, Aquinas (1998).

Comments are closed.