Over Edmund Burke

Edmund Burke leefde van 1 januari 1730 tot 9 juli 1797. Van 1765 tot 1794 was hij lid van het Britse Lagerhuis. Alhoewel hij een partijman was, heeft zijn leven en denken zich niet tot de praktische politiek beperkt. Concrete situaties boden hem telkens aanleiding tot het schrijven van pamfletten en boeken waarin hij als briljant retoricus zijn mening in gloedvolle betogen neerlegde. Deze intellectuele reflecties op politieke zaken, die hun neerslag hebben gevonden in een omvangrijk oeuvre, leidden in het bijzonder tot het inzicht dat de historisch gegroeide werkelijkheid zich verzet tegen de op abstracte theorieën gebaseerde plannen van politici om die werkelijkheid van de ene op de andere dag te veranderen. Het is dit inzicht dat sinds Burke typisch conservatief is gaan heten en dat Burke tot de vader van het conservatisme maakt. De basis voor Burke’s belangrijkste inzicht is waarschijnlijk al in zijn jeugd gelegd.

Burke werd namelijk geboren in Ierland, waar het katholicisme nauwelijks werd gedoogd en veel publieke functies niet voor katholieken openstonden. Burke was de zoon van een advocaat, Richard Burke, die katholiek was maar zich kort voor zijn huwelijk tot het protestantisme had ‘bekeerd’ om een carrière in het recht te kunnen maken. Burke’s moeder Mary Nagle was en bleef katholiek. Burke kwam ter wereld in het katholieke plaatsje Shanballymore, in de Blackwater Valley, waar zijn moeder toen bij familie verbleef. Als Burke’s officiële geboorteplaats is echter altijd het protestantse Dublin opgegeven. Burke werd anglicaans gedoopt, maar van zijn zesde tot zijn elfde jaar kreeg hij een (illegale) katholieke opvoeding in een openluchtschool bij een broer van zijn moeder in Ballyduff. De ideeën die in deze familie leefden over de positie van Ierland -de bereidheid de Glorious Revolution van 1688 en de protestantse successie te erkennen, maar verzet tegen de onderdrukking van het katholieke volksdeel door de Penal Laws- heeft Burke zich eigen gemaakt en zijn hele leven lang uitgedragen.

Maar minstens zo belangrijk was het langzaam gegroeide besef van de discrepantie tussen een theorie en de sociale werkelijkheid: het contrast tussen de samenleving zoals zij is en het abstracte systeem dat die werkelijkheid denkt te regeren. Wanneer Burke de kostschool in Ballitore, geleid door de quaker Abraham Shackleton, heeft afgerond en student aan Trinity College in Dublin is, schrijft hij in zijn jaar van aankomst 1744 in een brief aan een goede vriend dat hij voorzichtig moet zijn en de noodzaak van wantrouwen moet koesteren:

We live in a world where everyone is on the catch, and the only way to be safe is to be silent —silent in any affair of consequence; and I think it would not be a bad rule for every man to keep within what he thinks of others, of himself, and of his own affairs.

Burke, een new man -een lot dat hij deelde met zijn grote voorbeeld Cicero- is zijn leven lang achtervolgd door verhalen en speculaties over zijn katholieke achtergrond, zijn nederige komaf en een financiële positie die nooit reden tot onbezorgdheid bood. Karikaturisten beeldden hem af in het habijt van een jezuïet. Een zekere onthechtheid en dissimulatie waren het resultaat, evenals het besef van de noodzaak zo af en toe de ‘politic well-wrought veil’ van een ‘personated character’ aan te moeten trekken. Als ons benoemen en het benoemde al niet samenvallen, dan zijn het zeker geen theorieën die de werkelijkheid adequaat beschrijven, laat staan dat die theorieën het instrument bieden om de toekomst van die werkelijkheid te veranderen. Niemand, schrijft Roger Scruton, heeft ooit zo diep over de aard en de grenzen van de menselijke geest nagedacht als Burke. Dit alles laat overigens onverlet dat er over Burke’s politieke overtuigingen weinig twijfel hoeft te bestaan.

Burke’s wantrouwen en voorzichtigheid zijn er waarschijnlijk de oorzaak van dat we van de periode tussen zijn twintigste en dertigste levensjaar nauwelijks iets af weten. Uit de periode tussen 1750 en 1758 zijn slechts negen brieven bewaard gebleven. Op Trinity kreeg hij een klassieke opleiding volgens de idealen van het klassieke humanisme: jonge mensen werden er zo opgeleid dat zij zichzelf konden regeren en vervolgens het rijk waarvan zij onderdaan waren. Het was niet zijn ambitie de rest van zijn leven in een college\door te brengen. ‘He that lives in a college, after his mind is sufficiently stocked with learning, is like a man, who having built and rigged and victualled a ship, should lock her up in a dry dock.’ Na Trinity ging Burke in 1750 naar Londen om er rechten te studeren aan Middle Temple. Maar dat heeft hij niet lang volgehouden. Hij ging zich al snel aan literair werk wijden en maakte deel uit van de kring rond de even beroemde als excentrieke schrijver en lexicograaf Samuel Johnson. In Boswells Life van Johnson figureert Burke regelmatig. ‘Were I to see Burke now, it would kill me’, zei Johnson eens tijdens een ziekte. ‘So much was he accustomed to consider conversation as a contest’, was het commentaar van Boswell, ‘and such was his notion of Burke as an opponent.’

In 1756 publiceerde Burke A Vindication of Natural Society, een aanval op het politieke rationalisme en de ‘natuurlijke religie’ van Henry St. John, burggraaf Bolingbroke, die had betoogd dat de mens de dogma’s en instituties van de christelijke kerk niet nodig had, maar kon volstaan met een ‘natuurlijke’ religie, gefundeerd op zijn particuliere oordeel. Burke was van mening dat een religieus begrip dat gebaseerd is op openbaring, de juist rede en duizenden jaren ervaring in een godsdienstige gemeenschap, beter is dan deze ‘natuurlijke religie’, zoals de sociale orde ook beter is dan de ‘natuurstaat’. Een mens is pas mens wanneer hij geciviliseerd is; hij verwerft zijn hogere natuur als lid van een cultuur, van een beschaafde burgerlijke orde. De ware natuur van de mens ligt slechts verborgen in de barbaar. Natuurlijke religie leidt tot morele anarchie, zoals een ‘natuurstaat’ de mens tot een wilde maakt. In geestelijke zowel als tijdelijke zaken hebben we volgens Burke de juiste autoriteit nodig, de wijsheid van onze voorouders, en de instellingen die zich de eeuwen door moeizaam hebben ontwikkeld, om God te leren kennen en te weten hoe we met onszelf en met anderen moeten omgaan.

Een jaar later verscheen A Philosophical Enquiry into the Origing of Our Ideas of the Sublime and Beautiful, een tekst over esthetica die schrijvers uit de periode van de Romantiek zou beïnvloeden. In de empirische traditie van David Hume en John Locke stelt Burke dat we niet van abstracte proposities naar conclusies moeten redeneren, maar moeten uitgaan van de verschijnselen en de indruk die deze maken op geest en hart. Die indrukken laten geen ruimte voor subjectivisme, want zij zijn bij alle mensen vrijwel hetzelfde. Johnson, Wordsworth en Kant hadden veel waardering voor deze tekst, die inmiddels als kanoniek in de geschiedenis van de esthetische theorie is opgenomen.

Het was echter niet de literatuur die Burke’s leven zou domineren, maar de politiek, al stelde hij zijn literaire gaven volop in dienst van zijn politieke werkzaamheden. Cicero, de Cicero van De officiis, was een van Burke’s favoriete auteurs. Burke had een afkeer van crooked politicks, maar vond net als zijn Romeinse voorbeeld dat er tijden kunnen zijn dat een geleerde het niet met zijn geweten in overeenstemming kan brengen om zich van het publieke leven af te sluiten. En zelfs in die crooked politicks kunnen zich onderwerpen aandienen die de morele en literaire verbeelding kunnen aanspreken.

Burke, die in 1757 met de katholieke Jane Nugent trouwde en een jaar later vader werd van een zoon (Richard), trad in 1759 als adviseur in dienst van William Hamilton, die van 1761 tot 1764 Chief Secretary\voor Ierland was. Een jaar later volgde Burke’s doorbraak tot de landelijke politiek. Hij werd privé-secretaris van Charles Watson-Wentworth, de tweede markies van Rockingham (1730-1782), die van 1765-1766, als whig, premier van Engeland was. De Rockingham whigs, waar Burke zich dus bij aansloot, beschouwden zichzelf als de enig ware erfgenaam van de tradities van de Glorious Revolution van 1688. Ze waren gespitst op het creëren van een effectieve tegenmacht van intermediaire structuren (zoals de wet en het parlement) tegen de kroon van George III. Burke zou, als woordvoerder van de oppositie, dit constitutionalistische gedachtegoed de komende jaren formuleren en op verschillende onderwerpen toepassen: op de relatie tussen parlement en kroon, op de relaties van de kroon tot India, Amerika en Ierland, en op de Franse Revolutie. Daarbij baseerde hij zich telkens op twee principes, op de natuurwet (de ‘natuurlijke’ maar altijd precaire want fragiele ‘orde der dingen’) en het historisch gegroeide als de geaccumuleerde voorraad van ervaring en wijsheid (‘The individual is foolish, but the species wise, if only time is given to it’). Hij wist zich daarin een geestverwant van Montesquieu, ‘the greatest genius which has enlightened this age’, die -schreef Burke in 1790- zeker tot de vluchtelingen uit Frankrijk had behoord als hij nog zou hebben geleefd. De spannende en af en toe zelfs verwarrende dialectiek tussen norm en ontwikkeling, tussen natuurrecht en conventionalisme, tussen het absolute en het gegroeide en diverse, heeft ervoor gezorgd dat Burke in de negentiende eeuw zowel door klassiek-liberalen als door christelijke conservatieven is geclaimd. De synthese die Burke bewerkstelligde bestond in een aanpassing van het natuurrecht, dat in zijn denken van een transcendente in een immanente norm veranderde, in een norm, met andere woorden, die zich heeft belichaamd in tradities en instituties en die hun daarmee waarde en belang geeft.

De Rockingham whigs waren de partij van de aristocratie, van lords die hun politieke positie te danken hadden aan hun geboorte en fortuin, en als amateurs politiek bedreven. Burke paste wel in politiek maar niet in sociaal opzicht binnen deze partij en hij was zich dat (pijnlijk) bewust. Hij was een intellectueel en een Iers avonturier die zich op grond van persoonlijke verdiensten een weg naar de maatschappelijke top had gebaand. Hij was niet onafhankelijk, maar een betaalde professional. Zijn positie binnen zijn partij was dan ook altijd bescheiden. Dat stond zijn geestelijke onafhankelijkheid overigens niet in de weg. Zijn loyaliteit aan de partij was gebaseerd op haar belichaming van het aristocratische ideaal dat Burke zijn leven lang heeft gekoesterd: als onafhankelijke landeigenaren (‘property’) waren de whig magnaten ‘the great Oaks that shade a Country’.

Burke werd in 1765 lid van het Britse parlement, aanvankelijk voor het onaanzienlijke district Wendover. ‘Yesterday I was elected for Wendover’, schreef Burke in december 1765, ‘got drunk, and this day have a heavy cold.’ Later werd Burke parlementslid voor de belangrijke havenstad Bristol, de op twee na grootste constituency van Engeland. Tussen Burke en zijn constituents kwam het echter tot een conflict waarin Burke’s onafhankelijkheid en karakter duidelijk aan het licht traden. Tegen hun directe commerciële belangen in verdedigde Burke de opheffing van de protectionistische maatregelen die Engeland boven Amerika en Ierland hadden begunstigd. Toen Bristol zich roerde en al dreigde dat het bij volgende verkiezingen wel eens slecht met Burke zou kunnen aflopen, schreef hij op 23 april 1778 in de beroemde Speech to the Electors of Bristol dat een parlementslid de language of truth and sincerety spreekt, en dat hij niet bereid behoort te zijn een politieke opvatting te verkondigen die hem op zeker moment het beste uitkomt. In het parlement draagt hij zijn mening over het publieke goed uit, en hij vormt die mening niet om in het parlement te komen of er te blijven. Want een volksvertegenwoordiger (en dat is wat anders dan een gedelegeerde) is zijn kiezers niet alleen zijn inzet en arbeid schuldig, maar ook zijn oordeel, en hij verraadt ze wanneer hij dat oordeel inruilt voor hun lokale mening. De kiezers beloonden hem overigens met een verkiezingsnederlaag, waarna hij een parlementszetel veroverde via de ‘rotten borough’ van Malton (Yorkshire).

Eenzelfde onafhankelijke positie als tegenover zijn kiezers nam Burke ook in bij die andere zo belangrijke kwestie die in die dagen speelde: het conflict tussen Engeland en zijn kolonie Amerika. Toen Amerika weigerde de directe belastingen te betalen die koning George III en zijn tory regering op grond van de Stamp Act aan de kolonie wilden opleggen, verdedigde Burke de Amerikanen: zolang zij niet gerepresenteerd zijn in het parlement, kan dat parlement hun die belasting niet opleggen. No taxation without representation.

De poging de kolonisten belastingen op te leggen, was een willekeurige daad. Belangrijker nog dan het representatie-principe was daarom voor Burke het argument dat George III zijn arbitraire wil boven de constitutie plaatste toen hij poogde de macht van de kroon tot de allerhoogste uit te roepen. Daarmee overtrad de koning het natuurrecht, want de constitutie garandeerde de rechten, vrijheden en eigendommen van het volk. Die rechten kwamen ook de kolonisten toe, omdat ook zij onder de Britse constitutie leefden.

Burke heeft deze lijn tot 1782 consequent volgehouden, al moest hij er niet aan denken dat Amerikaanse slavenhouders daadwerkelijk een zetel in de Commons zouden komen bezetten. ‘Zij die zichzelf een ongelimiteerd recht over de vrijheden en levens van anderen toestaan, kunnen geen deel hebben in het maken van wetten voor een land dat deze onrechtvaardige en wrede distincties al lang geleden heeft verworpen.’

Burke verzette zich vooral zo fel tegen de ambities van de koning omdat hij bang was dat deze eerst de Amerikaanse vrijheden zou inperken en daarna de constitutionele grenzen in het verkeer tussen kroon en parlement zou overschrijden. Burke en zijn partijgenoten zagen de troonsbestijging van George III in 1760 als een politieke ramp. Zijn aantreden en beleid vormden volgens Burke een directe bedreiging van de politieke verhoudingen zoals die in Engeland golden, met de precaire balans tussen the one, the few and the many: koning, Hogerhuis en Lagerhuis.

In zijn Thoughts on the Cause of the Present Discontents (1770) beschuldigde Burke de koning van het op het spel zetten van dit evenwicht. George III stelde geen ministers aan die als wise and disinterested men bij de natie in een goede reuk stonden en het publieke belang dienden, maar creëerde een alternatief kabinet van King’s Friends die zijn persoonlijke voorkeur (private favour) genoten. Deze camarilla had de touwtjes in handen, anders dan het eigenlijke kabinet dat in toenemende mate het nakijken had. Dat eigenlijke kabinet voerde niet het beleid maar was tegenover het parlement wel verantwoording verschuldigd, terwijl de koninklijke vriendjes die wel het beleid uitstippelden zich aan iedere parlementaire controle -en dus aan een van de belangrijkste checks and balances binnen het Engelse constitutionele systeem- onttrokken. De koning voerde dus een beleid dat gericht was tegen de belangrijke positie van de aristocratie en de traditionele constitutie -en deze politiek was de oorzaak van de present discontents van politieke en sociale instabiliteit. Het sinistere absolutisme van George III was een vorm van corruptie die als een besmettelijke ziekte het gehele lichaam van de staat doortrok.

Er was volgens Burke maar één remedie om de politieke deugd en de fundamentele principes van de constitutie te herstellen en dat was de politieke partij, opgevat als ‘een lichaam van mensen die zich hebben verenigd om door gemeenschappelijke inspanning het nationaal belang te dienen, langs de lijnen van enkele grote en leidende politieke principes waarover zij het allen eens zijn’. Mannen van principes en integriteit (de gentlemendie Burke’s ideaal van chivalry belichaamden) zouden weer de effectief controlerende tegemacht vormen die aan iedere vorm van machtswillekeur een einde kon maken.

 

Terwijl Engeland aan het einde van de achttiende eeuw gebieden in Noord-Amerika verloor, slaagde het er wel in zijn territorium in India te vergroten. Ook hier volgde Burke het beleid van George III en diens kabinet kritisch. In 1783 stelde Burke de East India Bill op, waarin hij aandrong op hervorming van de East India Company, de handelscorporatie die Brits India bestuurde. Toen de gouverneur-generaal van Bengalen, Warren Hastings, zich schuldig bleek te hebben gemaakt aan tirannie en corruptie (Burke sprak van treason against the chartered rights of men), begon Burke een lang proces dat tot Hastings afzetting (impeachment) had moeten leiden. Hastings beriep zich op de ‘willekeurige macht’ die hij bezat, waaraan noch de Company noch de kroon grenzen stelde. Willekeurige macht bestaat niet, betoogde Burke. Niet de particuliere wil van een persoon, maar de wet handhaaft de interne orde van de ziel en de uitwendige orde van de samenleving.

Hastings beriep zich op het feit dat de wet in India van de Europese wetten verschilde en dat willekeur in de uitoefening van macht in Azië eerder regel dan uitzondering was. Burke verzette zich tegen deze argumentatie door erop te wijzen dat ‘wij allen geboren worden onder één grote, onveranderlijke en voorgegeven wet, die ons bindt aan de eeuwige orde der dingen waaruit wij ons niet kunnen verwijderen’. Die wet -die ook de grondslag dient te zijn van alle charters die de macht van de overheid beperken en de rechten en vrijheden van de mens beschermen- toomt alle willekeur in en alle wetten, of die nu van Europese of Aziatische origine zijn.

Hastings ging uiteindelijk vrij uit, maar de toespraken van Burke in Westminster Hall schiepen een besef van de verantwoordelijkheden die een moederland tegenover haar koloniën draagt en van de laakbare gedragingen die Engeland in India had begaan. In Londen waren die nooit eerder openlijk besproken.

Waar Burke zich dus tegen keerde, was het machtsmisbruik, of beter: het willekeurig gebruik van macht door het negeren van constituties die grenzen stellen aan de uitoefening daarvan. Dat misbruik openbaarde zich in de verhouding tussen Engeland en de Amerikaanse koloniën, India en Ierland, maar ook in de verhouding tussen koning en parlement. Machtsmisbruik openbaart zich echter niet alleen wanneer de wil van een vorst parlement en constitutie negeert of wanneer de wil van een moederland of gouverneur-generaal een kolonie of uitheemse onderdanen onderdrukt. De macht van de willekeur kan zich ook uiten in de wil van het volk: royale despotie en democratische anarchie zijn even erg. Tussen orde en vrijheid moet een balans bestaan, was een van de centrale inzichten van Burke als politiek filosoof. En die balans dreigde nooit zo ver door te slaan als in de Revolutie die zich in Fankrijk voltrok en waarmee Burke zich het grootste deel van zijn laatste levensjaren heeft ingelaten. Vrijheid (libertas) als het recht om te doen wat wij behoren te doen, dreigde om te slaan in losbandigheid (licentia).

;

Burke’s leven was één lange inspanning om revolutie te voorkomen of in te dammen. De oude orde was aan het verdwijnen. Waar Burke bang voor was, was anarchie: het deksel van de costly fabric of society op de vulkanische explosiviteit van de ordeloosheid is slechts dun. Tradities en instituties leiden het leven -persoonlijk en publiek- in goede banen -maar de philosophes en hun politieke volgelingen waren slechts geïnteresseerd in de afbraak van die instellingen, in de ijdele waan dat bijgeloof en vooroordeel plaats zouden maken voor rede en vooruitgang.

Burke was 59 jaar oud toen het gepeupel van Parijs de Bastille bestormde. Zijn carrière bevond zich op een dieptepunt: na de dood van zijn beschermheer Rockingham in 1782 was Burke’s invloed binnen zijn partij sterk afgenomen, de tories hadden de macht stevig in handen, Hastings zou vrijuit gaan, en ook in zijn privé-leven was hij alles behalve voorspoedig. Maar binnen een jaar zou hij een gepassioneerd betoog tegen de Franse Revolutie vastleggen in een boek dat zijn faam als vader van het conservatisme voorgoed zou vestigen, al leidden de ideeën die hij daarin neerlegde tot een breuk met zijn eigen partij.

Burke was geen man van de Verlichting. Hij wist zich verworteld in een cultuur die was gevormd door de spirit of religion en de spirit of a gentleman. Die cultuur had de gebruiken, de moraal en de tradities voortgebracht die de ‘gebreken van onze naakte, rillende natuur’ bedekken en die natuur ‘waardigheid’ geven. Alle revolutie is erop gericht deze decent drapery of life van ons af te scheuren, zoals de Jacobijnen -symptomatisch genoeg- koningin Marie Antoinette in haar slaapkamer hadden overvallen en zij ‘almost naked’ de straat op had moeten vluchten.

Burke was geverseerd in de klassieken, vooral in Aristoteles en Cicero, in de kerkvaders, in de grote theologen van de Middeleeuwen en de auteurs die het theoretisch fundament van de anglicaanse kerk hadden gelegd. Zijn religieuze overtuiging vond hij nergens beter verwoord dan in de Laws of Ecclesiastical Polity (1593-1600) van Richard Hooker. Burke verachtte het rationalisme en atheïsme van de Verlichtingsfilosofen. Met diepe weerzin nam hij kennis van de abstracte theorieën waarmee zij de samenleving opnieuw dachten te kunnen inrichten. Burke’s richtsnoer waren de ‘juiste vooroordelen’ die zich in tradities en instituties hadden belichaamd en zich in de loop van de geschiedenis als waar en waardevol hadden bewezen. Een van die instituties was de little platoon van het gezin, waarvan Burke vreesde dat het onder invloed van de revolutionairen zou veranderen van een leerschool van affecties en sociaal gedrag, en daarmee van burgerzin, in niet meer dan een contract.

Als conservatief was Burke voorstander van hervormingen waar en wanneer die nodig waren -maar die moesten geleidelijk en in aansluiting aan de bestaande omstandigheden worden doorgevoerd. Wanneer die voorzichtigheid -deze politics of prescription- wordt afgezworen, treedt niet de nobele wilde van de romantische fictie naar voren maar de wreedheid van de bruut die in onze gevallen natuur schuil gaat. Dit angstige perspectief bedreigde geheel Europa, vreesde Burke.

Het boek dat Burke op 1 november 1790 publiceerde -de Reflections on the Revolution in France- werd een succes dat velen van het gevaar van de Revolutie overtuigde. Toen de revolutionairen op 21 januari 1793 Lodewijk XVI onthoofden, moesten George III en William Pitt hun politiek van neutraliteit opgeven en begaven zij zich in een oorlog die uiteindelijk tot de val van Napoleon zou leiden -de tyran wiens komst Burke met opmerkelijke precisie had voorspeld. Want ideologen rechtvaardigen iedere wreedheid met een beroep op de vooruitgang die in de verre toekomst te verwachten is.

In de zomer van 1794 verliet Burke het parlement, met een pensioen van 2500 pond per jaar dat voorkwam dat hij Gregories, zijn landgoed bij Beaconsfield, moest verkopen. Zijn huis veranderde in een toevluchtsoord voor Franse vluchtelingen. Een van hen was de jonge en toen nog onbekende, maar later zeer beroemde Franse schrijver François-René de Chateaubriand (1768-1848). Met Burke bezocht Chateaubriand het schooltje dat Burke voor de kinderen van de emigranten had ingericht. Met tranen in zijn ogen keek Burke naar de spelende kinderen, denkend -schreef Chateaubriand in zijn mémoires- aan zijn enige zoon Richard die in 1794 aan tuberculose was overleden -parti pour un plus long exil. In hem had Burke een dynastie willen stichten, maar de wereld zou zich Burke alleen via zijn eigen woorden herinneren.

Burke was een grensfiguur. Als laat-achttiende-eeuwer werkte hij het pre-moderne en pre-industriële traditionalisme uit tot een politieke ‘theorie’ die sindsdien conservatisme heet en waarvan het constitutionalistische gedachtegoed een van de belangrijkste kenmerken is. Daarmee is Burke een groot erflater van de Westeuropese beschavingsgeschiedenis geworden. Hij bestreed zijn tijd en oversteeg haar -dat laatste misschien wel het meest opvallend in zijn opmerkelijke pleidooi voor de vorming van een politieke partij die zich door een duidelijke levensbeschouwelijke grondslag en identiteit zou onderscheiden.1

Maar als grensfiguur heeft Burke ook zijn beperkingen, zelfs voor hen die hem als de vader van het conservatisme eren. Het lijdt immers geen twijfel dat Burke’s politieke en publicitaire arbeid gericht was op het keren van een ontwikkeling. Alhoewel hij alles behalve een bigotte reactionair was, wilde hij een dam opwerpen tegen de vloed van de Revolutie, die, vreesde hij, de gehele beschaafde wereld zou overspoelen en haar in een staat van barbarij zou doen terugvallen. Vandaar die ongekend gepassioneerde, zo niet wanhopige toon in zijn Letters on a Regicide Peace -zijn laatste publicatie, uit 1796-1797- waarin hij van leer trekt tegen de vredesonderhandelingen tussen de Britse regering en het nieuwe Franse regime. Niet tot nederigheid en onderwerping roept hij het parlement op, maar tot waardigheid, trots en autoriteit, want we zijn in oorlog met een ‘systeem’, met een armed doctrine die een regelrechte bedreiging vormt van de unalterable constitution of things en van de veiligheid en welzijn van geheel Europa. Alle bloei en verval zijn uiteindelijk in handen van the great Disposer, maar dat wil niet zeggen dat wij niet alert en op onze post zouden moeten zijn: ‘Not to lose ourselves in the infinite void of the conjectural world, our business is with what is likely to be affected for the better or the worse, by the wisdom or weakness of our plans’.

Het ancien régime was de oude en volgens Burke natuurlijke orde der dingen. Die orde was misschien niet volmaakt. Maar als onvolkomenheden waren aangetoond, moesten die door hervormingen -in de zin van ondergeschikte en voorzichtige aanpassingen- van het bestaande systeem worden verholpen, niet door dat systeem af te breken en er een nieuwe orde voor in de plaats te stellen.

Burke heeft het deksel van de costly fabric of society niet op de vulkaan van de anarchie kunnen houden. De Revolutie leidde tot een omwenteling die overal in Europa tot nieuwe polit ieke verhoudingen leidde. Niet Burke maar Jean-Jacques Rousseau en diens theorie van het sociaal contract (1762) heeft de vormgeving van die omwenteling bepaald. Burke betitelde Rousseau in 1791 overigens als ‘the great professor and founder of the philosophy of vanity’ en contrasteerde diens denken scherp met de wijsheid die voortvloeit uit het lezen van de ‘authors of sound antiquity’ (Letter to a Member of the National Assembly).

Evenals Thomas Hobbes ging Rousseau niet uit van een objectieve morele orde, maar van subjectieve voorkeuren die teruggaan op persoonlijke begeerten. Het recht dient een afspiegeling te zijn van de consensus tussen de begeerten van alle betrokkenen. Anders dan Hobbes -die de schepping van recht in de handen legde van een soeverein alleenheerser, de mortal god of Leviathan- vond Rousseau dat de wil van de soeverein de wil van allen, de wil van het volk, moest weerspiegelen. De volksvergadering, als soevereine macht in de staat, brengt bij meerderheidsbesluiten dan wel niet de volonté de tous, maar wel de volonté générale tot uitdrukking, en die wil is gericht op het algemeen belang en dus goed. De samenvoeging van de oude, feodale notie van de representatie -van een volksvertegenwoordiging in plaats van een volksvergadering- en het gedachtegoed van Rousseau heeft in de negentiende eeuw tot het stelsel van parlementaire democratie geleid zoals wij dat nog altijd kennen -in principe tot onze vreugde. ‘Democracy is the worst form of Government except all those other forms that have been tried from time to time’, zei Churchill.

Maar zij is niet ‘perfect or all-wise’, voegde hij eraan toe. Voor het opsporen van de schaduwzijden van ons politieke systeem moeten we niet in de eerste plaats bij Burke zijn, maar bij een andere conservatief, die al vroeg inzag dat de modernisering en democratisering van de samenleving niet alleen onvermijdelijk was maar -als brengers van gelijkheid- ook rechtvaardig, en die niet -zoals Burke- beperkte vernieuwingen binnen het oude systeem propageerde maar het behoud van het goede uit dat oude systeem binnen het nieuwe: Alexis de Tocqueville.

Bart Jan Spruyt

Werk van Edmund Burke

  • A vindication of natural society (1756)
  • A philosophical inquiry into the origin of our ides of the sublime and the beautiful (1757)
  • Observations on a late publication intituled ‘The present state of the nation’ (1769)
  • Thoughts on the cause of the present discontents (1770)
  • Speech on conciliation with America (22 maart 1775)
  • Speech to the Electors of Bristol (23 april 1778)
  • Reflections on the revolution in France (1790) (bloemlezing)
  • Letter to a member of the National Assembly (1792)
  • A letter to a noble lord (1796)
  • Letter on an regicide peace (1796)

Boeken over Edmund Burke

  • Cobban,A., Edmund Burke and the revolt against the eighteenth century (1960).
  • Conor O’Brien, C., The great melody: a thematic biography of Edmund Burke (1992).
  • Coperland, T. (ed.), The correspondence of Edmund Burke (4 delen, 1958-1978).
  • Kirk, R., Edmund Burke: a genius reconsidered (1997).
  • Kramnick, I., The rage of Edmund Burke (1977).
  • Lock, F., Edmund Burke, 1730-1784 (1999).
  • Magnus, P., Edmund Burke: a life (1939).
  • Stanlis, P.J., Edmund Burke and the natural law (1975).
  • Wilkins, B.T., The problem of Burke’s political philosophy (1967).

1. De historicus Frank O’Gorman heeft terecht benadrukt dat we Burke met de opvattingen zoals hij die in zijn Thoughts on the Cause of the Present Discontents (1770) uiteenzette, niet tot de vader van het Engelse tweepartijen-stelsel kunnen uitroepen. Wat in Burke’s uiteenzetting van blijvend belang is, is het ideaal van ‘wijze en onafhankelijke’ volksvertegenwoordigers, die op grond van levensbeschouwelijke principes politiek actief zijn, de constitutie bewaken en niet de volksgunst maar het algemeen belang op het oog hebben. Een van de laatste Nederlandse politici die dit belang niet alleen in de praktijk heeft uitgedragen maar ook expliciet heeft verwoord is Frits Bolkestein, ‘Burgerschap en democratie’, opgenomen in: Boren in hard hout (Amsterdam, 1998), pp. 13-26.

Comments are closed.