De beste boeken van de afgelopen eeuw

Wij staan in de schaduw van de vorige eeuw: wie in de 21ste eeuw het goede wil doen, zal zich eerst moeten richten op een studie van de vele fouten begaan in de 20ste eeuw. De meeste van de volgende boeken gaan, op de een of andere manier, over de vele crises die de vorige eeuw teisterden. De Edmund Burke Stichting presenteert hierbij een lijst van de beste boeken, niet de meest invloedrijke. Elk van deze werken, soms nauwelijks bekend, is een intellectuele schat die wacht te worden ontdekt.

75 Goede Boeken uit de Twintigste Eeuw (in willekeurige volgorde):

C. S. LewisThe Abolition of Man (1947). Veel conservatieven zien in The Abolition of Man Lewis’ belangrijkste filosofische werk. In dit boek geeft Lewis een originele verdediging van de natuurrechtsleer. De meeste beschavingen, religies en denksystemen gingen in het verleden van dezelfde morele codex uit. Wanneer men die codex analyseert komt men vanzelf uit bij de cardinale deugden. Hij laat de consequenties zien van de verwerping van de idee van een objectieve morele orde. Dit is Lewis’ oorlogsverklaring aan het moderne humanisme dat, door manipulatie van de Schepping, uit is op de ‘afschaffing van de menselijke natuur’. (Meer informatie)

Whittaker Chambers, Witness (1952). Dit autobiografische werk gaat ogenschijnlijk over de beruchte Alger Hiss-spioneerzaak, maar Witness moet bovenal gelezen worden als een verslag van een verrijzenis uit de geestelijke dood, als een pelgrimage van de duisternis naar het licht, als een zoektocht uit de morele en geestelijke verwarring van onze tijd naar wijsheid, als een doorbraak uit het moderne bijgeloof in de autonomie van de mens naar het authentieke geloof in de soevereiniteit van God en dat alles geschilderd tegen de helse achtergrond van de geschiedenis van de vorige eeuw, met name de duistere doctrine die het communisme heette. (Meer informatie)

T. S. Eliot, Selected Essays 1917-1932 (derde druk, 1951). Kenmerkend voor de dichter T. S. Eliot (winnaar van de Nobelprijs voor de literatuur in 1948) is zijn poging het moderne bewustzijn in de Traditie te verwortelen. Daarvan getuigen niet alleen zijn gedichten, maar ook de essays uit deze bundel, waarin Eliot zijn visie op literatuur en geloof scherpt aan grote denkers en dichters uit het verleden als Dante en Lancelot Andrewes. De bundel bevat ook zijn uiteenzetting met het vroege Amerikaanse conservatisme van Irving Babbitt c.s.

G. K. Chesterton, Orthodoxy: The Romance of Faith (1908). Chesterton was één van de grote katholieke schrijvers van de vorige eeuw. Dit is zijn beste boek, een inspirerende apologie van het christendom in zijn orthodoxe variant.

Leo Strauss, Natural Right and History (1953). Strauss was zonder twijfel één van de origineelste denkers van de 20ste eeuw. Strauss, afkomstig uit een orthodox Joods milieu, groeide op in Duitsland, waar hij college volgde bij Husserl en Heidegger. Hij vertrok op tijd naar de Verenigde Staten, waar hij school maakte aan de Universiteit van Chicago. Zijn bekendste pupil is Allan Bloom. Natural Right and History is het meest bekende werk van Strauss, een panoramisch werk dat de verval van het denken schetst door de verfijnde klassieke natuurrechtsfilosofie van Plato, Aristoteles en Cicero te vergelijken met het fletse positivisme van Max Weber en het relativisme van Martin Heidegger. Opgelet: het werk van Strauss is doelbewust ingewikkeld en vergt veel van de lezer.

Alexander Solzhenitsyn, The Gulag Archipelago (1974). Als Russisch schrijver, oorlogsheld, gevangene van Stalin, vluchteling naar de Verenigde Staten, Nobelprijswinnaar en uiteindelijk na de val van het communisme de sneeuw van Vermont verruilend voor de sneeuw van St Petersburg, belichaamt Solzhenitsyn de krankzinnige twintigste eeuw. Hij was een ouderwetse conservatief die een aantal verwoestende analyses van het Westerse materialisme publiceerde en pleitte voor de restauratie van de Russische tsaar. The Gulag Archipelago is de klassieke roman over Stalins kampen.

Eric Voegelin, The New Science of Politics (1952). Voegelin, geboren in Duitsland, gaf les aan de Universiteit van Wenen tot hij in 1938 gedwongen werd te emigreren naar de Verenigde Staten vanwege zijn oppositie tegen het Hitler regime. The New Science of Politics is een briljante analyse van de moderne Westerse beschaving, die haar religieuze fundamenten heeft verloren en wordt uitgedaagd door het fascisme, socialisme en het positivisme. Voegelin legt de wortels van de moderniteit bloot en confronteert haar met de betekenisvolle klassieke traditie van de oude Grieken, de Romeinen, het Jodendom en het traditionele Christendom.

George Orwell, Homage to Catalonia (1938). Beter dan 1984 en Animal Farm, waarin Orwell op onvergetelijk wijze afscheid neemt van zijn flirt met Links. Een verslag van Orwells ervaringen als strijder aan de republikeinse zijde tijdens de Spaanse Burgeroorlog, is dit de definitieve afrekening met het Stalinisme. Meer dan in zijn latere boeken glimmert in dit werk nog hoop op een betere toekomst door.

Frederick Copleston SJ, A History of Philosophy, negen delen (1946-1953). Uitgebreide, uitstekende geschiedenis van de filosofie geschreven door een katholiek die nog geloofde dat filosofie de zucht naar Waarheid was.

Lionel Trilling, The Liberal Imagination: Essays on Literature and Society (1940). Trilling was een ouderwetse Amerikaanse liberaal, géén conservatief, maar zijn literatuurkritiek inspireerde een generatie Amerikaanse conservatieven, waaronder Irving Kristol, éminence grise van het neoconservatisme.

Paul Johnson, Modern Times (1983, herzien in 1992). Een prachtige gids bij een vreemde periode in de menselijke geschiedenis: onze eigen tijd. Wars van politieke correctheid en vrij van de verkrampte vormvereisten van de moderne geschiedwetenschap, en daardoor in de academie ten onrechte veelal genegeerd.

F. A. Hayek, The Constitution of Liberty (1960). Hayek noemde zich liberaal noch conservatief, maar zag zichzelf als een ‘Old Whig’. Dit was natuurlijk precies de positie van Edmund Burke. Zowel de Amerikaanse Republikeinse Partij als de Britse Conservatieve Partij zijn in feite voorzettingen van de Whigs, dus met Hayeks conservatisme zit het wel goed. In dit werk geeft Hayek de definitieve verdediging van de staatsconceptie van de Whigs. Argumenteert dat moderne intellectuelen het Westerse begrip van de vrijheid grotendeels hebben opgegeven omdat zij hun eigen intellect overschatten en de complexiteit van het leven niet erkennen.

Winston Churchill, The Second World War, zes delen (1948-1953). Hét verhaal van de eeuw, in zes delen, verteld door dé held van de eeuw. Churchill won terecht de Nobelprijs voor de Literatuur. Churchill was misschien wel de laatste ‘Great Man’ in de klassieke traditie. Wij kunnen meer van hem leren, met name over de moeilijke verhouding tussen filosofie en de praktijk van het politiek bedrijf, dan wij beseffen.

José Ortega y Gasset, La rebelión de las masas (1932). Ortega had een grote invloed op de Spaanse intellectuele en culturele renaissance in de twintigste eeuw, na een lange periode waarin Spanje geïsoleerd was van het Westerse gedachtegoed. In La Rebelión de las Masas (De opstand der horden) schrijft Ortega over de problemen van de moderne beschaving en wijst hij op de verwoestende invloed van de ‘massa-bewuste’, en daarmee middelmatige mensen die, in afwezigheid van een intellectuele en morele elite, de opkomst van het totalitarisme zullen bevorderen. Er is een goede Nederlandse editie, inclusief voorwoord dat Ortega, in het Wilhelminapark in Oegstgeest, speciaal schreef voor niet-Spaanse lezers.

Michael Oaskehott, Rationalism in Politics (1962, herziene versie in 1991). Oakeshott, een Brits filosoof, wordt beschouwd als één van de grote denkers van de vorige eeuw. Hij is een voorzichtige, skeptische conservatief in de traditie van David Hume, voortbouwend op utilistische inzichten van Hobbes. Rationalism in Politics is een verzameling losse stukken, waaronder het bekende “On Being Conservative”, een essay over de conservatieve houding. In het titel-essay valt Oaskeshott het rationalisme aan dat zich aan traditie, gewoonte en gewenning niets gelegen laat liggen, maar daardoor essentiële vergissingen begaat.

Hannah Arendt, The Origins of Totalitarianism (1951). Met dit boek werd deze Duits-Amerikaanse Joodse filosofe een intellectuele beroemdheid in de vroege jaren vijftig. Een originele historische analyse van de voorgeschiedenis van de dictaturen van Hitler en Stalin met bijzondere aandacht voor het Europese anti-semitische imperialisme. Haar visie op de gelijksoortigheid van nationaal-socialisme en communisme ondervindt tegenwoordig minder weerstand dan een halve eeuw geleden.

Robert Nisbet, The Quest for Community: A Study in the Ethics of Order and Freedom (1953). Nisbet was een vooraanstaand Amerikaans socioloog die in dit werk een interessante analyse maakt van de onophoudelijke aanval van de staat op de autoriteit van het maatschappelijk middenveld, vooral gezin en kerk. De groei van de staat gaat volgens Nisbet hand in hand met een doorgeschoten individualisme. In dit werk verdedigt Nisbet het conservatieve alternatief voor zowel atomisme als collectiviteit.

Richard M. WeaverIdeas Have Consequences (1948). Weaver staat in de traditie van het Amerikaanse Zuiden, dat een atypische vorm van conservatisme heeft geherbergd. In dit korte, maar krachtige klassieke werk, laat Weaver zien dat de wortel van de moderne filosofie ver in het verleden ligt. (Meer informatie)

Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen: studie over levens- en gedachtenvormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden (1919). “Zich verdiepen in de historie is een vorm van behagen aan de wereld en van opgaan in haar beschouwing”, zo vat Huizinga zijn visie op het wezen van de geschiedschrijving samen. Verbeelding en weten, het artistieke en het wetenschappelijke, gaan naadloos samen in deze studie over de Bourgondisch-Franse cultuur in de veertiende en vijftiende eeuw. Geen archiefstuk, oorkonde, contract of rekening gebruikte Huizinga voor deze studie, maar louter verhalende bronnen, kroniekschrijvers als Froissart en Chastelain, dichters, theologen en schilders. Hij stelde de mens in zijn geestelijk milieu centraal en onderzocht de betrekkingen tussen het denken, de verbeelding, de symboliek en de vormgeving van het leven. Weinig boeken in de Nederlandse historiografie kan men met evenveel recht als klassiek aanduiden.

Bernard J. F. Lonergan, Insight: A Study of Human Understanding (1957). Lonergan was een Canadese Jesuit wiens filosofie in het voetspoor treedt van Thomas van Aquino. Lonergans fundamentele inzicht is dat het weten een dynamisch proces is dat de interactie betreft tussen ervaren, doorgronden, beoordelen en beslissen.

Irving Babbitt, Democracy and Leadership (1924). Irving Babbitt is een van de pioniers van het Amerikaanse intellectuele conservatisme (toen nog aangeduid als ‘the New Humanism’). Babbitt was hoogleraar Franse literatuur aan de universiteit van Harvard en schreef over een breed scala aan onderwerpen. Dit boek is vooral van belang omdat Babbitt hier het denken van Rousseau en Burke met elkaar contrasteert en het verschil tussen ware en valse liberalen uiteenzet. Babbitt probeert vooral het doorgesneden koord tussen politiek en moraal weer te herstellen.

Jaroslav Pelikan, The Christian Tradition: A History of the Development of Doctrine (1971-1989). Een werkelijk monumentale en tegelijkertijd zeer elegant geschreven geschiedenis van de ontwikkeling van de christelijke leer. De vijf delen omvatten respectievelijk het antieke christendom, het oosters christendom, de middeleeuwen, de reformatie en de moderne tijd.

Denis de Rougemont, l’Amour et le Occidente (1939). Een intrigerende verhandeling over de pyschologie van de liefde, een onderwerp waarin de moderne tijd scherp afwijkt van het verleden, maar waarover (misschien daardoor) weinig goeds is geschreven. De Frans-Zwitserse filosoof en schrijver De Rougemont schetst aan de hand van de mythe van Tristan en Isolde hoe het liefdesconcept zich in zes eeuwen Westerse geschiedenis ontwikkeld heeft en hoe het in onze eigen tijd aan commercialisering ten onder dreigt te gaan.

Jacques Barzun, From Dawn to Decadence (1999). Ten onrechte werd dit boek in het Nederlands vertaald onder de sullige titel “Van de wieg tot volwassenheid” en nog spijtiger is het te constateren dat enkele hoofdstukken in de vertaalde uitgave weggelaten werden. Barzun presenteert ons in het Engelse origineel een panoramisch en prachtig geschreven overzicht van 500 jaar westerse cultuurgeschiedenis zonder de tegenwoordig veelal gebruikelijke invalshoek van politiek of economisch determinisme en zonder ideologische vooringenomenheid, abstract jargon en cijferterreur. Aan het eind van het boek kijkt een fictief historicus in een verre toekomst terug op een lange periode van culturele steriliteit: nog meer bureaucratische gelijkvormigheid, dociele verzorgingsstaats-mentaliteit, decadente beeldende kunst en geestelijke vermoeidheid. Maar er gloort hoop. Eens zal een dappere culturele voorhoede “the old neglected literary and photographic texts” uit het verleden herontdekken en een nieuw elan bij de “young and talented” verwekken.

Herbert Butterfield, The Whig Interpretation of History (1931). Is de geschiedenis een onvermijdelijke opmars van vooruitgang? Is alles per definitie beter dan vroeger? Veel historici en filosofen gaan daar bijna onbewust vanuit. Dit leidt tot slechte geschiedschrijving en verkeerd denken, zoals Butterfield in dit korte, heldere boekje beschrijft.

George Santayana, Persons and Places: Fragments of Autobiography (1944). Santayana was een Spaans-Amerikaanse filosoof die aan Harvard onder meer T. S. Eliot en Walter Lippmann les gaf. Religie was volgens hem slechts bijgeloof, maar hij hechtte aan rituelen en zag geloof paradoxaal als de grootste prestatie van de mens. Hij was een skeptisch conservatief die in dit werk zijn eigen unieke, transatlantische intellectuele biografie blootlegt.

Josef Pieper, Leisure: The Basis of Culture (1952). Pieper is een van meest bewonderde katholieke filosofen van de twintigste eeuw, in de waardige traditie van Thomas van Aquino. In dit boek herinnert Pieper de lezer aan het klassieke inzicht dat cultuur haar fundament niet vindt in de burgelijke wereld van de “totale arbeid”, maar in de rust en vrije tijd. Tegen al onze pragmatische en puriteinse ideeën over werk in, wijst Pieper op de destructieve consequenties van het moderne arbeidsethos. Pieper schrijft bescheiden, indringend, helder en wonderlijk, en laat een grote indruk achter.

Max Scheler, Das Ressentiment in der Aufbau der Moralen (1912). Een poging tot weerlegging van Nietzsches visie dat de moraal van het christendom voortkomt uit een diepgeworteld gevoel van afgunst jegens degenen die van het leven kunnen genieten, de krachtigen en machtigen. In dit korte boek geeft Scheler allereerst een uitgebreide en diepgaande analyse van het begrip ‘ressentiment’ en toont vervolgens aan dat de christelijke moraal met dit ressentiment weinig of niets van doen heeft. Tot besluit laat Scheler zien welke moralen wel gevoed worden door ressentiment: de moderne ‘moralen’ van het nuttige en het aangename. Scheler was een vooraanstaand Duits denker, een leerling van Husserl, die velen beïnvloedde. Helaas reflecteert veel van zijn gepubliceerde werk de grillige, soms chaotische persoonlijkheid van Scheler. Zijn hoofdwerk, Der Formalismus in der Ethik und die materiale Wertethik lijdt aan dit euvel, maar is zeer invloedrijk geweest in kleine kring.

Nicolai Hartmann, Ethik (1926). Hartmann’s poging tot een systematische onderbouwing van de ethiek te komen, die ingaat op de kritiek van de moderne filosofie op de oude ethische principes, maar deze principes (waaronder de deugdenleer) tegelijkertijd tracht te redden, is zonder twijfel één van de hoogtepunten van de 20ste-eeuwse filosofie. Hartmann, beïnvloed door Max Scheler, was niet gelovig maar grijpt terug naar het Platoonse denken.

Dietrich von Hildebrand, Christian Ethics (1953). Naar de Verenigde Staten uitgeweken briljant Duits filosoof, uit de school van Max Scheler, die de realistische fenomenologie sterk christelijk interpreteerde.

Jacques Maritain, Man and the State (1951). Maritain was één van de belangrijkste neo-Thomistische filosofen van de twintigste eeuw. In Man and the State gaat het om onderwerpen als de natuur en de functies van de moderne staat, de fundering van mensenrechten, pluralisme en soevereiniteit, en de vooruitzichten op een wereldregering. Maritain denkt en schrijft vanuit een Thomistisch perspectief over deze zaken, maar is, anders dan sommige andere neo-Thomisten, bepaald geen tegenstander van de moderne staat of de mensenrechten. Hij is op zoek naar wat waardevol en blijvend is van de moderne gedachten en kritiseert wat naar zijn mening de excessen zijn.

Vladimir Nabokov, Speak, Memory: An Autobiography Revisited (1951, herzien 1961). Nabokov is zonder twijfel een van de grootste schrijvers van de vorige eeuw geweest. Vanuit Rusland week hij via Parijs uit naar de Verenigde Staten, waar hij literatuur doceerde. Speak, Memory is een briljante evocatie van zijn vroege leven (1903-1940). In Nabokovs onnavolgbare stijl roepen deze herinneringen het nostalgische beeld op van een verdwenen wereld: het leven van een geciviliseerd gezin in het tsaristische Rusland, de vlucht voor de terreur van de Bolsjewieken, opvoeding in Cambridge en het leven van émigrés in Parijs en Berlijn.

Giuseppe Tomasi di Lampedusa, Il Gattopardo (1958). Klassieke roman over het verval van de Siciliaanse landadel, als symbool voor de opkomst van de moderne tijd. Ook prachtig verfilmd.

Ralph Ellison, Invisible Man (1952). “I am an invisible man. No, I am not a spook like those who haunted Edgar Allan Poe; nor am I one of your Hollywoodmovie ectoplasms. I am a man of substance, of flesh and bone, fibre and liquids – and I might even be said to possess a mind. I am invisible, understand, simply because people refuse to see me.” Aldus de eerste magistraal-eenvoudige zinnen van deze in 1952 verschenen roman die geldt als één van de hoogtepunten uit de moderne Amerikaanse literatuur. Ellison was een zwarte Amerikaans schrijver en volgens de progressieve opvattingen die in die tijd gangbaar waren, hoorde een zwarte schrijver vooral geëngageerde protestliteratuur te schrijven. Nu is Invisible Man ongetwijfeld ook een vorm van protest, maar allesbehalve ééndimensionaal. Het is een zwarte Bildungsroman met autobiografische elementen en een sociaal-psychologische analyse van de manieren waarop zwarte Amerikanen in hun complexe geschiedenis op segregatie en onderdrukking hebben gereageerd, maar het is nog zoveel meer. De Invisible Man is uiteindelijk ook een metafoor voor de vervreemde moderne mens.

James Burnham, Suicide of the West. An essay on the Meaning and Destiny of Liberalism (1964). Dit in 1964 verschenen, wat somber getoonzette boek, bevat een op een systematische analyse van het Amerikaanse liberalism gebaseerde aanval op het progressieve denken. De progressieve politiek die altijd maar bezig is met het bestrijden van armoede en het oplossen van sociale problemen is vooral gericht op het dempen van eigen irrationele schuldgevoelens. Die problemen worden daarbij meestal niet opgelost, maar verergeren juist. Een dominante weg-met-ons-mentaliteit, een radicaal waardenrelativisme en een zeer eenzijdige gerichtheid op rechtse gevaren zijn de meest zichtbare symptomen van de erosie van intellectuele, morele en spirituele aard binnen de Westerse elites. Deze interne verzwakking vormt een veel ernstiger gevaar dan ongeacht welke externe dreiging. Bevat tevens een heldere opsomming van de essentiële verschillen tussen liberalisme en conservatisme.

Malcolm Muggeridge, Chronicles of Wasted Time (1973). Muggeridge maakte, zoals veel 20ste-eeuwse denkers, persoonlijk de reis mee van naar communist naar conservatief, en van atheist tot christen. Dit werk is een persoonlijk verslag van de “verspilde tijd” die voorgaf ging aan deze dubbele bekering.

E. F. Schumacher, A Guide for the Perplexed (1978). Schumacher ontvluchtte Duitsland in de jaren dertig, kwam als Rhodes scholar naar Oxford en ontpopte zich als tovernaarsleerling van de econoom Keynes. Deed tijdens een verblijf in Burma inzichten op in de boedistische visie op economie en pleitte sedertdien voor een menselijke maat. Deze Guide is een korte gids voor het leven die, gestoeld op een christelijk humanisme, volgepakt zit met een wonderlijke wijsheid.

F. A. Hayek, The Road to Serfdom (1944). Dit in 1944 verschenen boek droeg Hayek op aan “de socialisten in alle partijen”. Die weg naar de onvrijheid begon het Westen volgens hem aan het eind van de negentiende eeuw in te slaan. Hij ziet dan een breuklijn ontstaan in de geschiedenis van de Westerse beschaving waarvan de kern altijd een individualistische mensvisie was geweest. Vanaf dan beginnen de krachten van het collectivisme, uitlopend op de revolutie van communisten, fascisten en nazi’s, in kracht toe te nemen. Hayek bestrijdt de mythe dat de noodzaak voor centrale planning voortkomt uit “objectieve” ontwikkeling van schaalvergroting en technologische ontwikkeling. De hoofdthese van het boek, briljant onderbouwd, is simpel: planning en democratie gaan niet samen.

F. A. Hayek, Law, Legislation and Liberty, drie delen (1976-1982). Nadere verfijning van de rechtsfilosofie van de beste vertegenwoordiger van het klassieke liberalisme in de vorige eeuw. Met een onvergetelijk aanval op de onzinnigheid van de idee van sociale rechtvaardigheid, hetgeen Hayek vergelijkt met zoiets als een “morele steen”: rechtvaardigheid is een individuele deugd en een samenleving, die immers uit individuen bestaat, kan dus niet rechtvaardig of onrechtvaardig zijn, net zo min als een steen moreel of immoreel is.

Milton Friedman, Capitalism and Freedom (1962). Een verklaring waarom de vrije markt en de vrije samenleving onmiskenbaar met elkaar verbonden zijn. Nu het communisme langzaam uit het collectieve geheugen wordt weggespoeld, is het goed kennis te blijven nemen van die fundamentele waarheid.

Paus Johannes Paulus II, Veritatis Splendor (1993). “De Schittering van de Waarheid” is een omvangrijk Pauselijk document waarin de menselijke vrijheid wordt behandeld in relatie tot de natuur, de morele wet en het geweten. Het handelt over de fundamenten van de christelijke moraal.

C. S. Lewis, Mere Christianity (1952). Dit is Lewis’ bekendste verweersrede van het christendom. Het boek begon als een serie van radioprogramma’s. De uitzendingen waren populair vanwege de bedachtzame beredeneringen en de levendige analogieën die ervoor zorgden dat complexe religieuze ideeën toegankelijk waren voor de iedere toehoorder. Lewis poogt hier de basisargumenten voor het christendom uiteen te zetten, de argumenten die iedere stroming gemeenschappelijk heeft. Vandaar ‘mere’ [onversneden] Christianity.

J. R. R. Tolkien, The Lord of the Rings, drie delen (1954-1955). Tolkien was oorlogsverteraan en briljant linguist (hoogleraar in Oxford) en conservatief met een kleine ‘c’, met een afkeer van de moderniteit, vooral de mechanisering. Hij was bovendien een belijdend katholiek (en speelde een belangrijke rol in de bekering van zijn vriend C. S. Lewis). Middenaarde is een wereld waarin Goed en Kwaad niet onder relativisme lijden. Zijn opus is allegorie noch metafoor, maar gewoon een meeslepend verhaal dat heilzaam is voor ieders moreel kompas.

Encyclopedia Britannica 11de editie (1910-1911). De laatste originele Britse editie voordat de rechten werden opgekocht door ‘Amerikaanse barbaren’ (aldus Roger Scruton). ‘De Elfde’ is daarom klassiek geworken – het is een elegante, verfijnde samenvatting van het Westerse denken (‘the sum of human knowledge’) voordat de crisis in de moderne filosofie de waarheidsconceptie en het Westerse zelfvertrouwen zouden knappen. Bij het betere antiquariaat en op internet te vinden voor een bescheiden som, ook verkrijgbaar op CD-rom. Onmisbaar en verrassend bij de tijd.

Thomas Merton, The Seven Storey Mountain (1948). Autobiografie geschreven in het trappistenklooster Gethsemani in Kentucky waar de auteur op de zesentwintigjarige leeftijd intrad. Geboren in Frankrijk uit Engels-Amerikaanse ouders bracht Merton zijn jeugd door in Engeland. Op twintigjarige leeftijd vertrok hij naar de Verenigde Staten waar hij studeerde aan Columbia. Na een zeer werelds leven als onder meer dichter en links politiek activist bekeert hij zich tot het christendom. Het boek geeft een boeiend beeld van zijn geestelijke zoektocht en zijn latere kloosterbestaan.

Jane Jacobs, Death and Life of Great American Cities (1961). Een vernietigende aanval op moderne architecten en stadsplanners die niet alleen oerlelijke gebouwen neerzetten, maar een menselijk leven onmogelijk maken. Gezien de onthutsende lelijkheid van vrijwel alle moderne Nederlandse gebouwen zijn deze inzichten helaas nog niet voldoende doorgedrongen.

Karl Barth, Der Römerbrief (1919). Barth was vermoedelijk de meest invloedrijke protestantse theoloog van de vorige eeuw. Toen hij hoorde dat de paus zijn werk ‘heel belangrijk’ had genoemd, zei hij peinzend: “Zou hij dan toch onfeilbaar zijn?” Barth begon zijn loopbaan met een felle afrekening met de liberale theologie. God was voor hem de Gans Andere, over wie mensen niet gemoedelijk kunnen redekavelen. Ondanks het besef dat God in de hemel en de mens op aarde is, schreef hij later overigens een vele duizenden pagina’s tellende Kirchliche Dogmatik. Zijn kritische houding leidde overigens tot de ontkenning van (de mogelijkheid tot) een natuurlijke theologie. Barth was zeker geen conservatief, maar niemand begrijpt de ontwikkelingen in de theologie zolang hij Barth niet heeft gelezen.

Yves R. Simon, Philosophy of Democratic Government (1951). Simon, geboren in Frankrijk en student aan de Sorbonne en Institute Catholique, waar hij diep onder de indruk raakte van Jacques Maritain, vertrok naar de Verenigde Staten toen hij 27 was. Daar gaf hij les, eerst op de University of Notre Dame, en van 1938 tot 1948 aan de University of Chicago, met Leo Straus en Friedrich Hayek als collegae. Simon was overtuigd katholiek, maar zette zich af tegen de meerderheid van de katholieke intellectuelen die, sinds de Franse Revolutie, ervan overtuigd waren dat republikeinse of democratische principes onverenigbaar was met de katholieke moraal en geloof. InPhilosophy of Democratic Government, geschreven tijdens de naweeën van de Tweede Wereldoorlog en de dreiging van het socialisme, geeft Simon een bedachtzame en gedreven verdediging van vrijheid en democratie.

Hans-Georg Gadamer, Warheit und Methode. Grundzüge einer philosophischen Hermaneutik (1960). Dit werk, invloedrijk in zowel de continentale als de Angelsaksische filosofie, is een aanval op het positivisme als de enige methode van kennen. Het boek is essentieel voor het nadenken over het interpreteren van klassieke teksten. Bevatten deze teksten waarheid? Kan de moderne lezer deze waarheid begrijpen zoals de auteur het bedoeld heeft? In dit boek ontwikkelt Gadamer een interpretatieleer in de traditie van de filosofische hermeneutiek. Volgens Gadamer bestaat de kunst van het begrijpen uit een dialectische relatie tussen heden en verleden, en betekent een goede interpretatie van een klassieke tekst vooral dat we onze eigen vooroordelen moeten leren kennen. Ons begrip van het verleden is mede-afhankelijk van ons zelfbegrip, en omgekeerd.

Paus Johannes Paulus II, Fides et Ratio (1999). “Geloof en rede zijn als de twee vleugels waarmee de menselijke geest opstijgt tot de beschouwing van de waarheid.” De hoofdstelling van deze encycliek is dat er tussen geloof en rede geen tegenstelling bestaat, omdat beide door God zijn gegeven. Fides et Ratio gaat in tegen het huidige culturele en filosofische klimaat waarin het vermogen van de menselijke rede de waarheid te kennen ontkend wordt en waarin de menselijke rationaliteit gereduceerd wordt tot haar utilitaristische aspect. Anderzijds verzet Johannes Paulus zich ook tegen de onder veel gelovigen heersende overtuiging dat het geloof niet met het verstand geloofwaardig te maken is.

Thomas S. Kuhn, The Structure of Scientific Revolutions (1962). Kuhn behaalde zijn doctoraat aan Harvard in de theoretische natuurkunde. Zijn interesse verschoof naar de wetenschapsfilosofie en wetenschapsgeschiedenis, en in 1962 schreef hij The Structure of Scientific Revolutions. In dit boek beargumenteert Kuhn dat wetenschappers werken vanuit een ‘paradigma’, een geheel van theorieën of meningen over kennis en methoden dat door iedere wetenschapper als vanzelfsprekend geaccepteerd wordt. Het boek geeft de lezer structuur voor het nadenken over de stand van de huidige wetenschap, en daagt wellicht uit om boven de huidige paradigma’s uit te stijgen.

Roger Scruton, Thinkers of the New Left (1985). Een verzameling essays door de bekende Britse filosoof Scruton over de filosofische afgoden van Nieuw Links. Een ontluisterende afrekening met de holle ideeën van de trendy filosofen van ’68.

Orson Scott Card, Ender’s Game (1985). Waarschijnlijk de beste science fiction-roman van de afgelopen eeuw. Geschreven door een conservatieve Amerikaanse mormoon, is dit een gevoelig, intelligent verhaal van een jongen met grote gaven die zich in een prangend moreel dilemma bevindt zonder dit zelf te weten.

Gitta Sereny, Albert Speer: His Battle With Truth (1995). Speer was de begaafde architect en lieveling van Hitler die later minister van Bewapening werd en de hoogste nazi die niet ter dood werd veroordeeld in Neurenberg. Hij leefde verder als gevangene voor het leven in Spandau en worstelde zijn hele leven na Hitler met de leugens die hij zichzelf vertelde. Dit meeslepende boek, grotendeels een weergave van en commentaar op uitgebreide interviews met Speer, legt bloot hoe duivels het Hitler-regime was en welke effecten het op mensen had.

Irving Babbitt, Rousseau and Romanticism (1919). Rousseau was de bête noir van Babbitt. Met deze Franse filosoof won immers het geloof terrein dat de mens van nature goed is en dat slecht gedrag het gevolg is van verkeerde maatschappelijke structuren. De conservatief Babbitt geloofde daarentegen niet in de goedheid van de mens en verkondigde de noodzaak van ‘inner’ en ‘outer checks’ om de mens op het goede pad te leiden. Dit kritische humanisme van Babbitt zag in de romantiek van Rousseau en diens navolgers een naturalisme dat een regelrechte bedreiging voor de beschaving vormde.

Yves R. Simon, General Theory of Authority (1962). Volgens Simon is de fundamentele zwakte van de democratie de misvatting van politieke autoriteit. In General Theory of Authority legt Simon uit hoe verleidelijk het is in een democratie om de volkswil als enige bron van macht en autoriteit te beschouwen. Hij geeft een intelligente analyse van de verschillende soorten en functies van autoriteit, in de traditie van Aristoteles en Thomas en beargumenteert overtuigend hoe individuele vrijheid en autoriteit niet zonder elkaar kunnen.

Raymond Aron, Étapes de la pensée sociologique, twee delen (1965). Tijdens zijn leven stond Aron, een liberaal van de oude stempel, in de schaduw van de intellectuele ‘reus’ Sartre. Helaas bleek dat Sartre alles bij het verkeerde eind had, terwijl Aron over politiek vrijwel altijd gelijk had. In dit tweedelige werk vinden we onder meer een bespreking van de spanning tussen vrijheid en determinisme in Tocqueville, Montesquieu en Marx. Voor een les in politieke prudentia kan men altijd terecht bij Aron.

Thomas Molnar, Authority and Its Enemies (1976). Molnar is een veelschrijvende Hongaars-Amerikaase filosoof van formaat. Hij werd gevangen gezet door de nazi’s in Dachau wegens zijn rol in het katholieke Hongaarse verzet en moest later vluchten voor de communisten. Dit werk is een sombere analyse van het verval van de moderne tijd, dat volgens Molnar geboren is uit de erosie van het beginsel van de autoriteit. Ondermijnd door twee eeuwen van anti-traditioneel denken wordt autoriteit thans als niet-democratisch en daarmee onaanvaardbaar bestempeld, hetgeen voor grote sociale problemen zorgt.

Wilhelm Röpke, Die Gesellschaftskrisis der Gegenwart (1941). Röpke was een vooraanstaand Duits econoom die vanwege zijn felle verzet tegen de nazi’s uitweek naar Zwitserland. Hij oefende na de oorlog een enorme invloed uit op Ludwig Erhard’s Wirtschaftswunder. Röpke staat voor localisme, federalisme, de vrije markt, maar tegen het overnemen van de hele cultuur door het marktdenken. In dit werk onderzoekt Röpke het ziektebeeld dat de Westerse wereld heeft aangetast. Collectivisering en massifactie zijn de twee hoofdschuldigen.

Paul Elmer More, Shelburne Essays, 11 delen (1904-1921). More, een vriend en geestverwant van Babbitt (zie nrs. 21 en 57), was als literair criticus een van de grondleggers van het Amerikaanse intellectuele conservatisme. Zelfs een tegenstander als H. L. Mencken gaf toe dat More de ‘nearest approach to a genuine scholar’ in Amerika was. Eliot zag in More een mede-bekeerling “who had come by somewhat the same route, to almost the same conclusions, at almost the same time: with a maturity, a weight of scholarship, a discipline of thinking, which I did not, and never shall, possess.” In de Shelburne Essays zijn de belangrijkste kleinere studies van More samengebracht, over schrijvers en filosofen, over literaire en sociale kritiek. More schreef ook een vijfdelige serie over The Greek Tradition, eindigend met The Catholic Faith (1931).

Charles Murray, Losing Ground: American Social Policy 1950-1980 (1984). Een epoche-makend werk dat de waanzin van de welvaartstaat genadeloos duidelijk maakte. Onder Murrays invloed werd bijstand in Amerika zo impopulair dat zij in 1996 werd afgeschaft.

Allan Bloom, The Closing of the American Mind (1987). Dit vlot geschreven boek door de bekendste student van Leo Strauss (nr. 5) gaat over het verval van de universiteit en beschrijft de politiek-filosofische veranderingen die dit verval veroorzaakten. Iedere serieuze student moet tenminste de eerste sectie lezen, als spiegel voor de eigen ziel.

Johan Huizinga, In de schaduwen van morgen: een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd (1935). Huizinga was de bekendste Nederlandse historicus van de afgelopen eeuw, maar zijn cultuurkritiek heeft -niet geheel verassend- minder aandacht gekregen dan zijn historiografie. Huizinga was namelijk bij uitstek een cultuurconservatief en in dit werk analyseert hij het verval in ethisch, esthetisch en intellectueel opzicht. Hij keert zich tegen het totalitarisme, maar constateert ook in het Westen geestelijke vervlakking.

Johan Huizinga, Geschonden wereld: een beschouwing over de kansen op herstel van onze beschaving (1945). In dit vervolg op Schaduwen van morgen, gepubliceerd net na de oorlog, maar geschreven in 1943, vraagt Huizinga zich af of de beschaving nog wel een kans maakt deze ergste van alle cultuurcrises te overleven.

Herman Dooyeweerd, Wijsbegeerte der wetsidee (1953-1958) [= A New Critique of Theoretical Thought] (1953-1958). De gereformeerde Dooyeweerd is de grondlegger geweest, samen met Van Vollenhoven, van een eigen en eigensoortige christelijke filosofie die vele jaren lang vooral aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en aan geestverwante universiteiten in het buitenland heeft gefloreerd. Dooyeweerd, sterk beïnvloed door de fenomenologie van Scheler, zag de samenleving opgebouwd uit een verscheidenheid van competentiesferen. Op deze wijze werkte hij de neo-calvinistische notie van de ‘soevereiniteit in eigen kring’ uit: alle niet-statelijke samenlevingsverbanden hebben en behouden hun eigen rechten, vrijheden en verantwoordelijkheden. Daarmee is de conservatieve visie op de samenleving in een notendop geschetst. Of hedendaagse aanhangers van de Reformatorische Wijsbegeerte de grondlegger van hun filosofie ook in dezen volgen, valt niet meer met zekerheid te zeggen. De Engelse editie is uitgebreid en veranderd ten opzichte van het Nederlandse origineel.

Stéphane Courtois, Nicolas Werth, Jean-Louis Panné, Andrzej Paczkowski, Karel Bartosek, and Jean-Louis Margolin, Zwartboek van het communisme: misdaden, terreur, onderdrukking (oorspr. in het Frans, 1997). Voor wie nog twijfelde aan de tragische gevolgen van het ‘nobele’ idee van het communisme, een idee dat voor meer doden zorgde dan enig andere politieke conceptie, bevat dit sobere boek een definitieve opsomming van de feiten. Theorie en praktijk zijn in het communisme onlosmakelijk met elkaar verbonden: vandaar dat de praktijk van communistische regimes overal ter wereld, in iedere tijdsperiode, in elke context tot bloedvergieten heeft geleid.

Hans Jonas, Der Prinzip Verantwortung: Versuch einer Ethik für die technologische Zivilisation (1979). Met Leo Strauss en Jacob Klein behoort Jonas tot de beste Joodse filosofen uit de vorige eeuw. Zijn leven was veelbewogen: hij ontvluchtte Nazi-Duitsland en vocht zowel in de Tweede Wereldoorlog als in de Israëlische Onafhankelijkheidsoorlog. Daarna was hij jarenlang hoogleraar aan de New School for Social Research in New York. Zijn oeuvre is veelzijdig en beslaat onderwerpen uit de filosofie van de biologie, ethiek, sociale filosofie, kosmologie en Joodse theologie (‘na Auschwitz’). In Der Prinzip Verantwortung heroverweegt Jonas de fundamenten van de ethiek in het licht van de huiveringwekkende veranderingen die de moderne technologie in het leven heeft aangebracht. Zijn (bewust) seculiere metafysica maakt duidelijk wat de plichten van de mens ten opzichte van zichzelf, het nageslacht en de hem omringende natuurlijke omgeving zijn. Het eerste hoofdstuk begint met het beroemde koor uit Sophocles’ Antigone.

Werner Jäger, Paideia: der Formung des griechischen Menschen, drie delen (1939). Een klassiek geworden verhandeling over het Griekse vormings- en ontwikkelingsideaal (paideia) aan de hand waarvan Jäger een rijk beeld schetst van de Griekse beschaving. “De enige bezitting die niemand een mens kan afnemen is diens paideia”, aldus de Griekse dichter Menander.

Alexandre Kojève, Introduction à la lecture de Hegel (1947). De Russisch-Franse filosoof Kojève was volgens onder meer Strauss, Aron en Bloom één van de meest intelligente denkers van de afgelopen eeuw. Dit is een verzameling college-dictaten over Hegel, die de intellectuele basis vormden voor het werk van uiteenlopende denkers als Raymond Queneau en Francis Fukuyama. Kojève meende dat de Filosofie haar eindpunt had bereikt en voorspelde de komst van ‘homogene wereldstaat.’ Hij trok de consequenties uit zijn eigen denken door de filosofie te verlaten om Europees ambtenaar te worden.

Jacob Klein, Die griechische Logistik und die Entstehung der Algebra (1934-1936). Zonder twijfel de beste kenner van de Griekse wiskunde in onze tijd. Dit prachtige boek heeft grote betekenis voor de filosofie in de breedste zin en verdient een grotere bekendheid.

Wilhelm Röpke, Jenseits von Angebot und Nachfrage (1958). Erhard zei over Röpke, “er war kein Moderne”, en dat is een compliment voor wie de verschrikkingen van het modernisme beseft. Een boek over de mogelijkheden voor een ‘humane economie.’

 

Comments are closed.