Abolition of Man

A great many of those who debunk’ traditional’ or (as they would say) ‘sentimental’ values have in the background values of their own which they believe to be immune from the debunking process. They claim to be cutting away the parasitic growth of emotion, religious sanction, and inherited taboos, in order that ‘real’ or ‘basic’ values may emerge. I will now try to find out what happens if this is seriously attempted.

Verreweg de meeste conservatieven die in deze serie aan de orde zullen komen, zijn afkomstig uit de Angelsaksische wereld of hebben er toch in ieder geval een belangrijk deel van hun leven doorgebracht. In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft zich daar namelijk, vooral in de Verenigde Staten, een opmerkelijke renaissance van conservatief denken voorgedaan. Even opmerkelijk overigens is het dat veel denkers, schrijvers en journalisten die deze renaissance gedragen hebben tot nu toe in Nederland nagenoeg onbekend zijn gebleven. Wat is hier ooit gepubliceerd over of vertaald van auteurs als Russell Kirk, Richard Weaver, Thomas Molnar, Frank Meyer, John Lukacs, Eric Voegelin (het boek van Buijs is hier de bekende uitzondering die de regel bevestigt), Leo Strauss, William F. Buckley, Walker Percy, en nog vele, vele anderen?

Eén oorzaak van deze betreurenswaardige situatie moge bij de lezer bekend zijn. De term “conservatisme” was hier lange tijd slechts als scheldwoord bekend en als serieus te nemen politieke overtuiging is het in de Nederlandse politiek, ook in de liberale en christen-democratische segmenten daarvan, nog steeds niet salonfähig. Maar een tweede oorzaak is van minstens even groot belang en voor ons, Nederlanders, ook erg interessant. Want het hier gesignaleerde gebrek aan kennis en waardering voor het conservatisme gold in 1945 ook voor de Verenigde Staten zelf. De succesvolle opkomst van een conservatieve intellectuele beweging voltrok zich in eerste instantie in een land waar de meeste politici en intellectuelen het conservatisme afdeden als een on-Amerikaans fenomeen. Hoe zou het conservatisme ooit kunnen aarden in een land zonder feodaal verleden met een politiek bestel dat rechtstreeks uit het Europese verlichtingsdenken leek te stammen en met een politieke cultuur die toch vooral gekenmerkt leek te worden door een optimistisch vooruitgangsgeloof? Daarbij kwam dat tijdens de naoorlogse periode in de beide politieke partijen, in de nationale pers, in het hoger onderwijs, in het Hooggerechtshof en in zekere mate ook in de kerken, liberals —in de Amerikaanse betekenis van ‘links’ of ‘progressief’— de toon aangaven. Het Amerikaans conservatisme had daarom in de jaren veertig, vijftig en nog grotendeels in de jaren zestig het karakter van een subculturele onderstroom en dat heeft de bekendheid hier te lande natuurlijk niet bevorderd.

Deze bekendheid zou hier wel gegroeid moeten zijn na de grote politieke conservatieve successen die hun startpunt hadden in de presidentiële campagne van Barry Goldwater in 1964 en die ten slotte zouden uitmonden in de presidentschappen van Reagan en Bush Jr.

In Nederland was er wel enige aandacht voor het zogeheten neoconservatisme van mensen als Nathan Glazer, Irving Kristol en Daniel Patrick Moynihan. Maar dit is een conservatisme dat uit een geheel andere politieke en geestelijke substantie vervaardigd is dan het oude conservatisme en ook een geheel andere ontstaansgeschiedenis heeft gehad. Dat andere, oudere conservatisme, is ook na de politieke successen van Reagan en Bush in Nederland nooit serieus bestudeerd. Dit had ongetwijfeld ook te maken met het arrogant dédain waarmee onze smaakmakers uit de wereld van pers, politiek, cabaret en onderwijs Amerikaanse conservatieve politici steevast hebben neergezet als domme, racistische en onderontwikkelde hill billies. In de Nederlandse beeldvorming rondom bijvoorbeeld Ronald Reagan is heel goed te zien hoe afkeer en onwetendheid inzake het conservatisme samengaan met de meest rabiate vormen van politiek en cultureel anti-amerikanisme. Uit die cocktail ontstaat dan een uiterst merkwaardig beeld, een beeld dat in zijn armetierigheid meer zegt over het geestelijk provincialisme van ons vaderland dan dat het ons veel te zeggen heeft over een belangrijk conservatief staatsman uit de 20ste eeuw.

Is het mogelijk boven aangeduid ouder conservatisme nader te karakteriseren? Kan men bij de genoemde vertegenwoordigers gemeenschappelijke uitgangspunten herkennen? Met voorbijgaan aan een grote mate van diversiteit is dat zeer wel mogelijk. Eén van die gemeenschappelijke uitgangspunten lichten we er in deze bijdrage uit.

Verreweg de meeste conservatieve auteurs gaan impliciet of expliciet uit van het bestaan van een objectieve realiteit, die onafhankelijk van de menselijke perceptie en kennis bestaat. Deze realiteit omvat waarden en principes die onveranderlijk en eeuwig zijn (“the permanent things”), waar de mens zijn leven op moet bouwen en waarmee menselijk gedrag en institutionele arrangementen kunnen worden beoordeeld. De doorsnee conservatief is dus de mening toegedaan dat er een objectieve morele orde bestaat. Velen gebruiken in dit verband de term “natuurrechtsleer”. Er bestaat een natuurlijke ordening, een ordening die niet willekeurig tot stand is gekomen maar die tegelijkertijd onafhankelijk is van enig menselijk wilsbesluit.

Hoe kan de mens tot kennis over die objectieve morele orde komen? De meeste conservatieven aanvaarden drie bronnen om die orde te ontdekken: de Openbaring, de rede en de Traditie. Met dat laatste wordt de over eeuwen geaccumuleerde menselijke wijsheid aangeduid. Wanneer de mens deze drie bronnen geïntegreerd gebruikt kan hij een eind komen. De meeste conservatieven geloven dus in God, maar anderen funderen die objectieve orde in de natuur zelf (“the constitution of being”) en in de menselijke rede. In elk geval is hier het woord “ontdekken” van belang: waarheid en waarden kunnen niet uitgevonden worden, ze behoeven slechts gevonden worden, ze bestaan al. De conservatief is er overigens diep van doordrongen dat onze kennis van “the permanent things” tijdens ons aardse leven onvolmaakt zal blijven. Zo schreef Richard Weaver in dit verband:

…there is a difference between knowing an absolute and knowing an absolute absolutely (………) To know an absolute absolutely is something that is not given to men, unless there be such a thing as special revelation. As long as we inhabit this house of mortal clay we are none of us absolutists in this sense. This is but a recognition of our human condition.

Het lijkt me dat we met de erkenning van een objectieve morele orde een belangrijk element in het geestelijk fundament van het conservatisme als politieke filosofie aangeduid hebben.

Een van de meest interessante twintigste-eeuwse verdedigingen van dit idee is te vinden in The Abolition of Man. Reflections on Education with Special Reference to the Teaching of English in the Upper Forms of Schools, door de Britse schrijver C.S.Lewis (1898-1963). Anders dan de boven genoemde auteurs is Lewis, vooral in katholieke en protestantse kring, redelijk bekend in Nederland. Een groot aantal van zijn boeken is vertaald. The Abolition of Man bestaat uit de drie lezingen die Lewis in februari 1943 hield in het kader van de door de Universiteit van Durham jaarlijks georganiseerde Riddell Memorial Lectures. Het verscheen in hetzelfde jaar bij Oxford University Press.

Lewis schrijft dit pamflet dus in een periode waarin de macht van de nationaal-socialistische barbaren op een hoogtepunt is in Europa en waarin Britse steden nog iedere nacht vanuit de lucht bedreigd worden. Je zou dus verwachten dat iemand die in 1943 een aanval inzet op het moderne relativisme met die actualiteit zou beginnen. Maar Lewis slaat Hitler en Stalin over. Hij begint met twee brave Engelse schoolmeesters die een braaf ogend taalboekje hadden geschreven waarvan hij toevallig een presentexemplaar ontvangen had. Lewis duidt hen aan als “Gaius en Titius”, een antieke versie van “Smith and Jones” zullen we maar zeggen.

Lewis start zijn betoog met de analyse die Gaius en Titius ten behoeve van hun leerlingen maken van het fragment bij Coleridge waarin twee toeristen een waterval bezoeken. De een noemt het schouwspel “grandioos” en de ander “leuk”. Coleridge beaamt het eerste oordeel, maar verwerpt met afschuw het tweede. Dan laat Lewis Gaius en Titius zelf aan het woord:

When the man said That is sublime, he appeared to be making a remark about the waterfall……Actually….. he was not making a remark about the waterfall, but a remark about his own feelings. What he was saying was really I have feelings associated in my mind with the word Sublime”, or shortly, I have sublime feelings. (……….) This confusion is continually present in language as we use it. We appear to be saying something very important about something and actually we are only saying something about our own feelings.

Dit is dus wat Gaius en Titius hun onschuldige leerlingen willen voorhouden: alle zinnen waarin een waarde wordt uitgedrukt zeggen slechts iets over de gemoedstoestand van de spreker en zijn daarom eigenlijk onbelangrijk. Nog niet zo lang geleden, schrijft Lewis, waren de meeste denkende mensen ervan overtuigd in een universum te leven dat zo in elkaar zat dat bepaalde gevoelsreacties onzerzijds al of niet van toepassing waren. De waterval van Coleridge “verdiende” de benaming grandioos. In de moderne cultuur daarentegen staat een wereld van betekenisloze feiten zonder waarde geïsoleerd van een wereld van gevoelens waarin waarheid, recht of schoonheid relatief zijn verklaard.

De objectieve morele orde wordt door Lewis aangeduid met het Chinese woord “Tao”. De Tao bevat de algemeen aanvaarde moraal zoals die in de meeste beschavingen beleden wordt. Als illustratie verzamelde Lewis in de appendix een keur van uitspraken uit de meest uiteenlopende bronnen, zoals uit denksystemen en religies van Grieken, Romeinen, Chinezen, Indiërs, Indianen en talloze andere groepen. Zonder enige moeite kan men die uitspraken terugbrengen tot de bekende deugden als Naastenliefde, Voorzichtigheid, Barmhartigheid, Rechtvaardigheid, Matigheid, Goede Trouw, enz. In tegenstelling tot sommige christelijke conservatieven die de natuurrechtsleer verwerpen, meent Lewis niet dat de publieke moraal slechts door de Bijbel op aanvaardbare wijze gelegitimeerd kan worden. Elders in zijn werk heeft hij in dit verband benadrukt dat de christelijke ethiek niet iets radicaal nieuws was. Men hoeft de autoriteit van de Bijbel niet te accepteren om moord en diefstal verwerpelijke zaken te vinden. Veel van de traditionele moraal die we in de Bijbel vinden is ook de redelijke moraal, de moraliteit van het gezonde verstand.

Dat mensen veelvuldig de wetten van de Tao plegen te overtreden is bekend, maar dat hoeft natuurlijk nog niet tot de gedachte te leiden dat de Tao niet bestaat. Die laatste gedachte is uniek voor onze moderne cultuur. Het moderne waarderelativisme heeft echter geweldige gevolgen. Wanneer het bestaan van de Tao wordt ontkend, valt de vanzelfsprekendheid weg een kind te trainen in deugdbeoefening. De deugd, door Augustinus omschreven als ordo amoris, de juiste ordening van onze aandoeningen, realiseert zich pas na een vormingsproces waarin het kind voortdurend geleerd wordt de juiste aandoeningen te verbinden met die dingen die bepaalde aandoeningen “verdienen”. Emoties zijn daarbij de onontbeerlijke schakels tussen de ratio en het instinct. Het hoofd regeert als het ware de buik via de borst. De opvattingen van Gaius en zijn kompaan zijn dus niet zo onschuldig, want zij doen volgens Lewis de menselijke borststreek in ernstige mate verschrompelen.

Men moet spaarzaam zijn met grote woorden als “profetisch”, maar in relatie tot dit dunne boekje heb ik er geen probleem mee. “Wat denk je er zelf van?” is de dominante pedagogische vraag geworden in een onderwijssysteem waarin het wereldbeeld van de mannetjes Gaius en Titus ruim een halve eeuw later overal in de westerse wereld het overheersende lijkt te worden. Een troosteloze woestijn is het inderdaad geworden, een broedplaats van culturele klonen van Gaius en Titius, “mensen zonder borststreek”, “aangeklede apen”, “grootstedelijke botteriken”, lieden die de oceaan slechts als een bak vervuild zout water kunnen zien, om een beeld van Lewis wat te actualiseren. Wanneer u zich af en toe verbijsterd afvraagt hoe het komt dat uw gevoelige en talentvolle zoon of dochter van veertien op school stekkerdozen zit te monteren in plaats van meer tijd te besteden aan Caesar of Xenophon dan moet u dit boekje beslist eens lezen. In “achterlijk” Amerika neemt “home schooling” trouwens steeds omvangrijkere vormen aan. De ouders van ruim anderhalf miljoen kinderen hebben daar al de beslissing genomen hun nakomelingen voortaan in eigen beheer op te leiden. Dat heeft ook nog eens het bijkomend voordeel dat hun kroost überhaupt leert lezen en schrijven.

Het ontkennen van de Tao moet volgens Lewis in de praktijk leiden tot de ondergang van de samenleving. Deze drieste bewering vindt men in allerlei varianten bij veel conservatieven terug. Zo schreef zes jaar na de publicatie van The Abolition of Man de Amerikaan Peter Viereck, die een wat meer seculier geaard conservatisme vertegenwoordigt, in Conservatism Revisited:

Let us suppose it were some day proved – as today alleged but unproved – that right and wrong are mere bourgeois prejudices of national or class interests and do not really exists. Instinctively we might say: so much the worse for right and wrong. Yet, even then, we should have to learn to say: so much the worse for existence. Sad experience would teach us that man can only maintain his existence through guiding it by the non-existent: by the moral absolutes of the spirit. If this sounds paradoxical, it is of such paradoxes that human truth is made.

Het is in het derde en laatste hoofdstuk van The Abolition of Man dat Lewis een dergelijk gedachte-experiment uitwerkt. Laten we er nu eens vanuit gaan, zegt hij, dat de mens in staat is zijn eigen waarden te scheppen. Want waarom zou hij na de verovering van de natuur niet doorgaan met de verovering van de menselijke natuur zelf? Laten we zelf bepalen wat de mens moet worden en daarbij niet uitgaan van die denkbeeldige Tao. Lewis voert dit experiment vervolgens met ijzingwekkende logica uit. In de kern stelt hij zich de vraag wat er gebeurt als een machtselite (dat kan een dictator zijn maar net zo goed een door een democratische meerderheid gekozen gezelschap) bewust ieder geloof in de Tao verwerpt. Dan wordt zij onontkoombaar een groep Controllers en de anderen de controlled. De niet meer in de Tao gelovende elite wordt slechts geïnspireerd, kán slechts geïnspireerd worden door social engineering, want de Permanent Things zijn definitief op de mestvaalt der geschiedenis gedumpt. In plaats daarvan kunnen zij zich slechts laten leiden door hun natuurlijke impulsen die bij uitstek bestaan uit de nonpermanent things als erfelijkheid, milieu, de waan van de dag, utilitaire overwegingen, enz. Wat Lewis ons laat zien is hoe een poging om de menselijke natuur te overwinnen altijd moet uitlopen op een overwinning van de natuur op de mens. Een dergelijke triomf loopt zo onontkoombaar uit op de “afschaffing” van de mens.

Een belangrijke conclusie drong zich na lezing van The Abolition of Man bij mij op: voor gelovigen en humanisten is de Tao de enig betrouwbare garantie voor de instandhouding van de menselijke vrijheid. De eigenlijke garantie voor onze vrijheid ligt in de overtuiging dat er waarden bestaan die voor niemand te manipuleren zijn.

Geachte lezer, ter afscheid wilde ik u nog even uitnodigen in de Hollandse huiskamer.

Bestaat er zoiets als “goed” of “fout” of “waarheid” in absolute zin? Wanneer u deze vraag tijdens een gezellig familiaal samenzijn in een Hollandse progressieve huiskamer positief zou beantwoorden valt er naar alle waarschijnlijkheid eerst een wat ongemakkelijke stilte. Vervolgens kunt u uw borst natmaken in afwachting van de voorspelbare reacties: dit zijn volstrekt relatieve begrippen, iedereen heeft recht op zijn eigen mening, iedereen moet in zijn waarde gelaten worden, de centrale waarde in een democratie is verdraagzaamheid en dat verhoudt zich slecht met denken in absolute categorieën. Ja, ongetwijfeld zullen in deze Hollandse huiskamer al heel snel twee spookgestalten komen aandrijven en zich vervolgens onafwendbaar en in al hun dreigende uitstraling voor u opstellen: Hypocrisie en Fundamentalisme! Uw vooruitstrevende familieleden, die trouwens in de door hen gekoesterde Nederlandse literatuur en film al een halve eeuw lang geen normale dominee of pastoor meer zijn tegengekomen, reageren zo omdat hun denken doordrenkt is van de moderne notie dat absolute waarden niet bestaan. Waarden en waarheden zijn in dit soort denken altijd relatief, persoonsgebonden of in ieder geval gebonden aan tijd en cultuur.

-Theo Parlevliet

Comments are closed.