Ideas Have Consequences

Ideas Have ConsequencesLike Macbeth, Western man made an evil decision, which has become the efficient and final cause of other evil decisions. Have we forgotten our encounter with the witches on the heath? It occurred in the late fourteenth century, and what the witches said to the protagonist of this drama was that man could realize himself more fully if he would only abandon his belief in the existence of transcendentals. The powers of darkness were working subtly, as always, and they couched this proposition in the seemingly innocent form of an attack upon universals. The defeat of logical realism in the great medieval debate was the crucial event in the history of Western culture; from this flowed those acts which issue now in modern decadence.

In zijn autobiografisch essay Up from Liberalism vertelt Richard Weaver hoe hij op een ochtend in de herfst van 1945 in zijn werkkamer aan de Universiteit van Chicago zijn gedachten liet gaan over de verschrikkingen van de dan net beëindigde Tweede Wereldoorlog. Hij peinst verder over deze massaslachting in relatie tot de vele valsheden van het moderne leven en denken. Tot welke fundamentele oorzaken waren die te herleiden? Wanneer begon de ziekte van de westerse moderniteit eigenlijk? En hoe kon de diagnose het best gesteld worden? Twintig minuten later heeft hij een rijtje titels van toekomstige hoofdstukken neergekrabbeld. Het concept van het boek, dat later door velen gezien zal worden als een van de grote klassiekers van de naoorlogse Amerikaanse conservatieve renaissance, ligt op zijn bureau gereed. Misschien heeft hij dan ook al de licht ironiserende eerste zin in zijn hoofd: “This is another book about the dissolution of the West”.

In het drie jaar later verschenen boek laat Weaver de moderniteit vroeg aanvangen. Al in de veertiende eeuw ziet hij een fundamentele omslag in het westerse denken. Die diepgaande verandering vindt plaats in kader van het bekende middeleeuwse debat over de vraag of, kort samengevat, algemene begrippen (universalia) echt bestaan of louter concepten, producten van de menselijke geest zijn. Het nominalisme van Willem van Ockham verdedigt dit laatste en dringt het logisch realisme van het filosofisch hoofdtoneel. Weaver ziet de overwinning van het nominalisme als de belangrijkste breuklijn in de ontwikkeling van de westerse beschaving. De ontkenning van het waarheids- en werkelijkheidsgehalte van de universalia leidt volgens hem tot een fatale ondermijning van het idee dat er een waarheid buiten en onafhankelijk van de mens zou kunnen bestaan. Een realiteit die vooral door het verstand te vatten is, wordt vervolgens steeds meer vervangen door een werkelijkheid die primair door de zintuigen kan worden waargenomen. Met andere woorden: het moderne relativisme, empirisme en materialisme vinden al in de hoge middeleeuwen hun oorsprong.

Een nieuwe visie op de natuur en de mens drong zich langzaam maar onbedwingbaar op. Terwijl de natuur voorheen als een onvolmaakte nabootsing van een transcendent model werd opgevat, ging men haar nu steeds meer zien als een rationeel werkend mechanisch systeem. In dit mechanisch wereldbeeld was uiteraard geen plaats meer voor het oude idee van de erfzonde en het kwaad. Menselijke zwakheden werden toegeschreven aan onwetendheid of aan de onvolkomenheden van de maatschappij. Zo begon in de achttiende eeuw het idee van de fundamentele goedheid van de mens het westers denken te domineren. De visie waarin de mens, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis, de hoofdrol speelde in een groots drama waarin het lot van zijn ziel voortdurend op het spel stond, werd steeds meer vervangen door mensvisies waarin gedrag primair werd bepaald door biologische en omgevingsfactoren. De ironie daarbij wil, dat hoe meer de mens zich onafhankelijk maakte van traditionele gezagsbronnen en zichzelf tot maat van alle dingen ging beschouwen, hoe minder betrouwbare gezagsgronden hij overhield. De mens plaatste zichzelf in het centrum van het heelal maar verschrompelde tegelijkertijd tot de moderne, neurotische, geestloze massamens die meer geïnteresseerd was in Feiten dan in de Waarheid, als wetenschapper zich ontwikkelde tot een specialist die steeds meer van steeds minder weet en als consument zich verwikkeld zag in een uitzichtloze jacht naar materiële zaken.

Voor Weaver staat vast dat men in iedere ontwikkelde beschaving een bron kan traceren die structuur en hiërarchie in het denken en handelen aanbrengt. Geen enkele beschaving kan zonder een dergelijke “metafysische droom”, die de basis vormt van de voor iedere samenleving onmisbare morele orde. Zonder een metafysische droom valt een beschaving onvermijdelijk ten prooi aan desintegratie. Cultuurscheppers creëren een vormentaal, scheppen symbolen, zodat de empirische feiten hun betekenis kunnen krijgen. Zonder steun van een transcendentale waarheid is dit volgens Weaver onmogelijk. Wanneer de metafysische droom verkommert, ziet men het culturele verval vooral optreden in sterke tendensen tot “onmiddelijkheid”, in het afrukken van de sluier die de dingen hun hogere betekenis verschaffen, in een plebejisch wantrouwen tegen vorm en stijl. Het is niet de enige gedachte in het boek die de Nederlandse lezer onweerstaanbaar doet denken aan Huizinga’s in 1935 verschenen en een jaar later al in het Engels vertaalde In de schaduwen van morgen.

Uit de overwinning van het nominalisme komt dus ook de rebellie tegen onderscheid en hiërarchie voort. Het moderne gelijkheidsstreven, dat in de afgelopen eeuw vaak haast totalitaire trekken lijkt aan te nemen, karakteriseert Weaver als een wezenlijk subversieve activiteit ten aanzien van echte beschaving. De twijfelachtige resultaten van dit gelijkheidsstreven ziet men b.v, wanneer we ons hier een kleine hedendaagse excursie mogen veroorloven, in het huidige onderwijs waar de meeste “beleidsmakers” kwaliteit definitief lijken ingeruild te hebben voor kwantiteit, geest voor materie. De ruïne van het Nederlandse onderwijs gaat men te lijf met geld, getallen, organisatieschema’s, computers en zij-instromers zonder enig inzicht in of belangstelling voor de werkelijke aard van de crisis. Hoe juist is ook in dit verband Weaver’s vaststelling dat de strijd om gelijkheid in de moderne politiek steevast uitloopt op de vestiging van een plaatsvervangende bureaucratische hiërarchie. Hoe juist is zijn vaststelling dat de strijders voor gelijkheid dit altijd doen onder de pretentie een onrechtvaardigheid te corrigeren, terwijl het resultaat steevast grotere onrechtvaardigheden en ongerijmdheden laat zien. Hoe juist ook zijn vaststelling – en die van vele conservatieve denkers voor en na hem – dat een groeiende nadruk op gelijkheid een groeiend ressentiment van jaloezie en onvrede veroorzaakt.

Terwijl inzet voor het ideaal van de broederschap – de basis van elke organische sociale ordening, – leidt tot aandacht voor de ander, loopt het moderne gelijkheidsstreven slechts uit op een grotere gerichtheid op het eigen ik. Wanneer de mens de maat wordt van alle dingen worden de deuren naar een ongeremd egotisme opengezet. Dat is het beste te zien in de ontwikkeling van de cultuur in engere zin waar nieuwe vormen en ideeën zich steeds meer gaan richten op rebellie tegen de Traditie en emancipatie van de vermeende ketens van het verleden en waar in dat kader de uitingen van het bizarre en het perverse in toenemende mate gelegitimeerd worden. In de Romantiek zien we voor het eerst het primaat van de impuls, een extreem individualisme en een voortdurende revolte tegen conventies, instituten en traditionele vormen. Ook al zien we in de latere moderne kunst en literatuur ook weer een zekere aandacht voor vormproblemen (geobsedeerdheid is dan vaak een betere term), die trend van ongebreideld subjectivisme zal zich tot in onze dagen voortzetten in bizarre uitwassen waarvan Weaver eind jaren veertig nog geen weet kon hebben.

In de economische sfeer verliest de arbeid de relatie met het ideaal van het omzetten van potentie in actualiteit. Voor de middeleeuwer staat achter iedere arbeid een ideëel uitvoeringsconcept. Werken is een soort bidden, ook in de arbeid blijft de mens verbonden met de goddelijke orde. Wanneer het kapitalistisch utilitarisme op de troon komt, ontstaat er een fatale scheiding tussen de arbeider en zijn product. In navolging van de burger gaat de arbeider zijn arbeid als waar zien. Net als Marx hanteert Weaver hier de term vervreemding, maar terwijl Marx de primaire oorzaak van deze vervreemding ziet in de arbeidsdeling en haar gevolgen, ziet Weaver de oorzaken natuurlijk in de eerste plaats in de geestelijke sfeer: de teloorgang van het ideaal van “roeping” en het concept van “eer” ten gunste van een platvloerse versie van “dienst” (“service”). Ook hier die omslag van kwaliteit naar kwantiteit, van geest naar materie.

Wanneer individuele zelfontplooiing het doel van het leven wordt, wanneer het ego zich in het centrum van het bestaan positioneert, dan is er ook de voortdurende behoefte de afstervende metafysische droom te compenseren met allerlei surrogaatvormen. Dat laat Weaver b.v zien in een hoofdstuk over “The Great Stereopticon”, zijn aanduiding van de moderne massamedia. Veel conservatieven zullen de neiging hebben de situatie op dit gebied rond 1950 als betrekkelijk positief in te schatten. Inderdaad, de ondragelijke platheid van veel hedendaags televisieamusement, de mateloze verheerlijking van het geweld in de bioscoopzaal en de abjecte vermenging van reclame en pornografie in de publieke ruimte kende Weaver nog niet toen hij zijn boek schreef. Maar vermoedelijk zullen veel hedendaagse lezers zich tijdens het lezen van dit hoofdstuk wel realiseren dat de betekenis van de jaren zestig voor dit soort zaken niet overdreven moet worden. Zijn analyse van de Amerikaanse geschreven pers, film en radio van die dagen laat overtuigend zien dat veel van de tegenwoordige decadentie daar al heel lang in potentie aanwezig was. “The Great Stereopticon” voedt ons egotisme met een eindeloze stroom woorden en beelden die een louter gefragmenteerd en cynisch wereldbeeld oproept en iedere binding met de authentieke bronnen van schoonheid en waarheid verloren heeft.

Wat kan in zulke omstandigheden gedaan worden? Kunnen al deze machtige trends nog omgebogen worden? Wanneer Weaver in de drie slothoofdstukken deze vragen stelt, komt hij als rechtgeaard conservatief natuurlijk niet met gedetailleerde hervormingsvoorstellen of utopische blauwdrukken. Allereerst is inzicht in het geestelijke karakter van de crisis nodig. We moeten beginnen, zegt hij, met nederig te erkennen dat we belangrijke idealen verloren hebben laten gaan en dat die dus herwonnen moeten worden. Daarvoor is nodig dat het in het westen dominante monisme, aanwezig als utilitarisme, pragmatisme en materialisme, overwonnen wordt; er moeten weer bruggen geslagen worden tussen het materiële en het transcendente. De richting die hij aangeeft om te komen tot herstel van “a world of metaphysical certitude” kan aldus kort samengevat worden:

  1. We zijn eeuwen in het defensief geweest en veel metafysische rechten zijn weggeerodeerd. Er is in de loop van de westerse geschiedenis echter wel een bastion overeind gebleven : “When we survey the scene to find something which the rancorous leveling wind of utilitarianism has not brought down, we discover one institution, shaken somewhat, but still strong and perfectly clear in its implications. This is the right of private property, which is, in fact, the last metaphysical right remaining to us.” Dit recht wordt nog steeds als natuurlijk gezien en is niet afhankelijk van sociale utiliteit. Uitdrukkelijk heeft Weaver het hier niet over corporatief bezit (aandelen,etc) zonder persoonlijke band. Anonieme, abstracte opeenhopingen van bezit nodigen uit tot ingrijpen van de staat. Slechts bezit met een persoonlijke dimensie kan een rol spelen in deugdbeoefening en karakterontwikkeling en, uiteindelijk, als basis voor de vrijheid dienen.
  2. In de moderne semantiek is de oude wijsheid dat er een goddelijk element in de taal verweven zit uiteraard verdwenen. Daar is het streven er vooral op gericht de taal zoveel mogelijk te ontdoen van concepten van waarheid, zoveel mogelijk een scheiding aan te brengen tussen taal en conceptuele realiteiten. Ook hier wordt de weg naar het metafysische afgesloten! De vulgarisering van het hedendaagse taalgebruik, de afschaffing van serieus geschiedenis-en literatuuronderwijs, het zijn verschijnselen die hiermee samenhangen. Weaver stelt daar tegenover: de rehabilitatie van het woord en op basis daarvan herstel van het klassieke onderwijs met grote aandacht voor poëzie, vreemde talen,etc.
  3. Weaver veegt het stof af van het oude begrip “vroomheid”. Vroomheid heeft te maken met nederigheid en ontzag, met de erkenning van het bestaansrecht van zaken die groter zijn dan het ego. In onze cultuur is echter niet vroomheid maar rebellie het voornaamste bestanddeel en rebellie komt zoals Genesis ons leert voort uit trots. De moderne mens heeft een sterke neiging om zowel de natuur als de geschiedenis te beschouwen als een ongelukkige erfenis waar men zich zoveel mogelijk van moet bevrijden. Een vrome houding tegenover de natuur is gebaseerd op het diep doorleefde geloof dat de schepping fundamenteel goed is en dat de laatste oorzaak van haar wetten een mysterie is. Ook een groter historisch bewustzijn kan dienen als medicijn tegen het moderne egotisme. Voorzover de mens een denkend wezen is, beschikt hij slechts over het verleden en over niets anders.

Tegenwoordig wordt Ideas Have Consequences tot de erkende klassiekers van het Amerikaanse conservatisme gerekend. Dat is in zekere zin opmerkelijk, omdat het denken van Weaver, zoals Cliteur terecht in zijn proefschrift opmerkt, veel dichter in de buurt van het continentale conservatisme van denkers als Joseph de Maistre lijkt te komen dan dat het zo gemakkelijk te plaatsen is in de Angelsaksische traditie van Burke en de zijnen. Zijn kritiek op de moderniteit is in dit boek zo radicaal dat men zich kan afvragen of deze Zuidelijke antikapitalist wel zo probleemloos in de Amerikaanse conservatieve traditie te plaatsen is. Sinds de postume publicatie van zijn proefschrift in 1968 (The Southern Tradition at Bay) is ook veel duidelijker geworden hoe belangrijk de invloed van de traditie van de Zuidelijke Agrarians op zijn vroege denken is geweest en hoe de Noord-Zuid dichotomie ook en vooral in culturele zin zijn denken heeft gevormd. Dat het Noorden – en dat is nu eenmaal verreweg het grootste en in allerlei opzichten belangrijkste deel van de Verenigde Staten – dan vooral staat voor de desintegrerende krachten die het in Ideas Have Consequences moeten ontgelden zou dan tot de gedachte moeten leiden dat conservatisme een wezensvreemd element is in de Verenigde Staten, een idee dat uiteraard door de Amerikaanse conservatieven altijd nadrukkelijk is bestreden. Met dit alles wil overigens wel gezegd zijn dat deze conservatieve cultuurkritiek van de lange adem buitengewoon indrukwekkend is neergeschreven. Dit boek verdient dan ook aanzienlijk meer aandacht in Nederland dan het tot nu toe kreeg.

-Theo Parlevliet

Comments are closed.