Witness

“The rags that fell from me were not only Communism. What fell was the whole web of the materialist modern mind - the luminous shroud which it has spun about the spirit of man, paralyzing in the name of rationalism the instinct of his soul for God, denying in the name of knowledge the reality of the soul and its birthright in that mystery on which mere knowledge falters and shatters at every step. If I had rejected only Communism, I would have rejected only one political expression of the modern mind, the most logical because the most brutal in enforcing the myth of man’s material perfectibility, the most persuasive because the least hypocritical in announcing its purpose and forcibly removing the obstacles to it.”

Tijdens een met veel publiciteit omgeven plechtigheid in het Witte Huis werd op 26 maart 1984 door president Reagan postuum aan Whittaker Chambers (1901-1961) de Medal of Freedom , de hoogste onderscheiding voor Amerikaanse burgers, toegekend. Ronald Reagan heeft er nooit een geheim van gemaakt dat lezing van Chambers’ Witness (1952) een grote invloed heeft gehad op zijn ontwikkeling van New Deal liberal tot conservatief politicus. In zijn eerste autobiografie, Where’s the Rest of Me?, citeert hij uit het boek en ook in diverse latere toespraken vermeldt hij de auteur. Zo prees hij Chambers in een toespraak uit 1983, omdat deze begrepen had dat “the crisis of the Western world exists to the degree in which the West is indifferent to God, the degree to which it collaborates in communism’s attempt to make man stand alone without God”, een bijna letterlijk citaat. Ook andere Amerikaanse conservatieven hebben getuigd van de invloed die Chambers’ autobiografie op hen heeft uitgeoefend. Zo las Robert Novak als jong dienstplichtig soldaat Witness in 1953: “It changed my world view, my philosophical perceptions, and, without exaggeration, my life.” Dertig jaar later zou George Will het boek vergelijken met The Education of Henry Adams. Zonder enige twijfel behoort Witness tot de klassieken van het Amerikaans conservatisme. In de top-honderd van de beste non fiction boeken van de afgelopen eeuw, die de redactie van The Intercollegiate Review in het herfstnummer van 1999 opstelde, prijkt het op de derde plaats achter het boek van Henry Adams en C.S.Lewis’ The Abolition of Man. Het boek beschikt in conservatief Amerika kennelijk nog steeds over een grote reputatie. In deze bijdrage willen we nagaan waarop die faam stoelt.

Die berust in eerste instantie op het gegeven dat de auteur enkele jaren voor de publicatie van zijn autobiografie de hoofdrol vervulde in wat zonder enige twijfel een van de meest opzienbarende rechtszaken uit de Amerikaanse geschiedenis genoemd kan worden. De Hiss-Chambers zaak, waarvan in het laatste deel van Witness uitvoerig verslag wordt gedaan, kwam op 4 augustus 1948 in de openbaarheid. Die dag kopte de New York Times: Red underground in federal posts alleged by editor. in new deal era. ex-communist names alger hiss, then in state department.

De ex-communist was Whittaker Chambers, een 47-jarige journalist, die in een getuigenis voor de House Un-American Activities Committee (HUAC) verklaarde in de tweede helft van de jaren dertig actief te zijn geweest in een communistische ondergrondse groep in Washington. Chambers had in 1938 met de partij en de ondergrondse gebroken. In de jaren daarna bouwde hij een succesrijke journalistieke loopbaan op bij Time magazine,waar hij als een van de senior editors een vertrouweling van eigenaar Henry Luce werd. In die jaren had hij zich ontwikkeld tot een conservatief denkende anticommunist die zich van veel van zijn collega’s onderscheidde door een realistische beoordeling van de buitenlandse politiek van Stalin in een periode dat de Verenigde Staten en de Sovjetunie bondgenoten waren. Onder de namen van hen die volgens Chambers actief waren in een van de ondergrondse netwerken viel vooral Alger Hiss op. Hiss had een federale ambtelijke carrière in de periode van de New Deal gemaakt en bekleedde tot in 1947 een hoge positie op het State Department. In de zomer van 1944 was hij staflid tijdens de Dumbarton Oaks Conferentie (tijdens deze conferentie werden de Verenigde Naties in de steigers gezet) en een half jaar later maakte hij deel uit van de Amerikaanse delegatie in Jalta. Enkele maanden later speelde hij nog een belangrijke rol in San Francisco tijdens de oprichting van de Verenigde Naties.

Op 5 augustus 1948 verscheen Hiss op de zitting van de HUAC. In zijn verklaring ontkende hij ooit lid van de communistische partij geweest te zijn en liet hij weten Chambers nooit ontmoet te hebben. Daarmee leek de zaak afgedaan, ware het niet dat een jong Republikeins lid van de commissie, Richard Nixon, het initiatief nam de zaak verder te onderzoeken. Bij verder verhoor van Chambers bleek deze buitengewoon veel van het privé-leven van het gezin Hiss te weten, een natuurlijk gevolg van de vriendschap die er volgens Chambers in de jaren 1934-1938 tussen beide gezinnen was geweest. Op de zitting van 25 augustus zouden Hiss en Chambers met elkaar geconfronteerd worden. Nixon organiseerde echter al eerder, zonder Hiss tevoren over de bedoeling in te lichten, een ontmoeting in een New Yorks hotel. Tijdens die ontmoeting identificeerde Hiss Chambers aarzelend als “George Crosley”, een indertijd wat verlopen uitziend freelance journalist waar hij in de tweede helft van de jaren dertig vluchtig contact mee gehad zou hebben. Inmiddels zwol de publieke belangstelling voor de zaak op tot ongekende proporties. De zitting van 25 augustus was de eerste op de televisie live uitgezonden parlementaire hoorzitting uit de Amerikaanse geschiedenis. Die grote belangstelling had natuurlijk allereerst te maken met de dramatische ontwikkelingen in de internationale betrekkingen, waarvan de zich snel verslechterende betrekkingen tussen de Verenigde Staten en de Sovjetunie de kern vormden. Maar ook het sensationele verloop van de zaak zelf speelde een belangrijke rol. Toen Chambers zijn beschuldigingen tegen Hiss in het radioprogramma Meet the Press herhaalde, kondigde deze aan Chambers wegens smaad voor de rechter te dagen. In de aanloop naar deze rechtszaak kreeg de zaak echter een sensationeel andere wending. Tijdens de HUAC-hoorzittingen had Chambers niet gerept over spionage. Zijn contacten in het regeringsapparaat zouden slechts bezig geweest zijn de Amerikaanse politiek in een voor de sovjets gunstige zin te beïnvloeden. Nu deelde Chambers zijn advocaat mee bewijzen te hebben dat Hiss hem geheim materiaal uit het State Department geleverd had. Toen hij tien jaar daarvoor met het illegale apparaat brak, had hij de fotokopieën van de laatste zending, vergezeld van enkele in Hiss’ handschrift geschreven excerpten en enkele onontwikkelde fotorolletjes achtergehouden. Die zaken hadden jarenlang bij een familielid op zolder gelegen. Chambers overhandigde het materiaal aan de autoriteiten, maar hield de filmrolletjes achter. Die microfilms verborg hij in een uitgeholde pompoen in een veldje bij zijn boerderij in Maryland. Enkele dagen later, na flink onder druk gezet te zijn, leidde hij enkele HUAC-onderzoekers naar het bewuste pompoenveldje. Mede op basis van dit materiaal werd Hiss in november 1949 tot 44 maanden gevangenisstraf veroordeeld (wegens meineed, het spionagedelict was verlopen), nadat een eerdere rechtszaak was uitgelopen op een “hung jury”).

De lezer zou tot nu toe een idee hebben kunnen krijgen hoe Chambers’ autobiografie in 1952 een bestseller werd, maar toch nauwelijks waarom het in conservatieve kring zo’n prestigieus boek is geworden. Dat laatste heeft op de eerste plaats te maken met het gegeven dat de Hiss-Chambers zaak een aantal elementen in zich had die het tot een echte cause célèbre in de Amerikaanse geschiedenis maakte. In deze algemene zin is de zaak heel goed te vergelijken met een andere beroemde rechtszaak, aan de andere kant van de oceaan, een halve eeuw eerder. Wanneer het in december 1894 slechts was gegaan om een veroordeling van een Franse kapitein uit de Elzas in een simpele spionagezaak had niemand nu nog van de Dreyfus-zaak geweten. Het historische belang van de Dreyfus-zaak ligt uiteraard in de context van een zich in het kader van de Affaire verder verbredende kloof tussen de twee partijschappen die het Franse politieke leven tot op zekere hoogte tot op de dag van vandaag bepaald heeft. Men kan de vergelijking natuurlijk niet te ver doortrekken. Het Amerikaanse conservatieve kamp bevond zich rond 1948 nog in een zeer embryonaal stadium, de abjecte sfeer van antisemitisme waarin de Affaire zich afspeelde ontbrak hier en wat betreft de historische beantwoording van de schuldvraag vormen beide zaken elkaars volledig tegenbeeld. De Hiss-Chambers zaak heeft echter wel degelijk tot een vergelijkbare, sterk ideologisch gekleurde polarisatie geleid, in een Amerikaanse context slechts te vergelijken met de commotie rond het Sacco-Vanzetti proces in de jaren twintig. De zaak kon zo een niet onbelangrijke vormende factor worden in het ontstaan van de naoorlogse conservatieve beweging in de Verenigde Staten. In dit verband schreef George H.Nash, de belangrijkste historicus van die beweging:

“The bare facts of this case, however, cannot begin to suggest its enduring effect on the post-1945 conservative intellectual renascence. As much as any other event, the Hiss case forged the anti-Communist element in resurgent conservatism. While many men of the Left, like Arthur Schlesinger, Jr., believed Chambers to be truthful, the whole affair tended to become a Left-Right confrontation. As the saying had it, “a generation was on trial” – the generation of the New Deal. To some, Hiss was a martyr to social justice and Chambers a vicious, pathological liar in league with reactionary Republicans led by Congressman Richard Nixon. To others, Chambers was an extraordinarily sensitive and gifted man who was willingly destroying himself in order to awaken the nation to the Communist peril symbolized by the unrepentant traitor Alger Hiss.”

De Amerikaanse conservatieve beweging kan volgens Nash in haar wordingsgeschiedenis inderdaad slechts begrepen worden als men haar óók ziet als een reactie op ontwikkelingen in de jaren dertig. Zo vormde voor de libertarische vleugel de New Deal een radicale breuk met het Amerikaanse verleden, een werkelijke revolutie van collectivisme en Big Government. Voor de traditionalisten waren de jaren dertig vooral een periode van opkomend filosofisch nihilisme, totalitarisme en geestelijke ontworteling. Voor een derde stroming die de conservatieve beweging begon te voeden, een kleine, maar zich zeer nadrukkelijk manifesterende groep van voormalige communisten, trotskisten en fellow travelers, werd deze periode het best gekarakteriseerd als de “Red Decade”, de titel van een boek uit 1941, geschreven door de journalist Eugene Lyons. Lyons was een voormalig radicaal, die zich na zes jaar correspondentschap in Moskou weinig illusies meer maakte over het vaderland van het internationale proletariaat. Hij schilderde de jaren dertig vooral als een tijd waarin veel progressieve Amerikanen (liberals) collaboreerden met het communisme, b.v. met communisten samenwerkten in zogeheten antifascistische popular front organisaties. Het heersende klimaat in brede sectoren van progressief Amerika werd misschien nog het best uitgedrukt in de Open Brief die vierhonderd vooraanstaande Amerikaanse intellectuelen op 10 augustus 1939 publiceerden. In die brief werd de Sovjetunie een bolwerk tegen oorlog en agressie en een betrouwbare steunpilaar voor een vreedzame internationale orde genoemd en protesteerde men tegen de karakterisering van de Sovjetunie als “totalitair”. In het kader van een diepe afkeer van fascisme en nationaal-socialisme en een door de crisis sterk afnemend vertrouwen in het Amerikaanse bestel was dit soort van denken in de jaren dertig bepaald niet ongewoon bij veel intellectuelen. De in die tijd ook zeer linkse filosoof Sydney Hook zou vijftig jaar later voor de jongere lezer schrijven over “this picture of Communist influence, so strong that it amounted to domination of key areas of American cultural life .. may appear incredible to those who were not involved at the time, but the evidence ..(is) overwhelming.” De ironie van de geschiedenis wil overigens dat nog geen twee weken na de publicatie van de Open Brief Hitler en Stalin hun roverspact sloten.

De aangeklaagde spion Hiss als symbool van de naïviteit, stupiditeit en schuld van de liberals, als symbool van de collaboratie met het links totalitarisme, het lijkt een mooie constructie die er pas later door Rechts zou zijn ingelegd, maar niets is minder waar. Al voor en tijdens het proces werd de symbolische betekenis van het proces door de aanhang van Hiss zelf sterk benadrukt. Hiss’ advocaat, Lloyd Paul Stryker, maakte er in zijn openingsrede een heel politiek nummer van. Dit was niet zo maar een eenvoudige strafzaak over een geval van meineed. Hier was sprake van een oordeel over de politieke veranderingen die het land de afgelopen periode had doorgemaakt. Hier stond niet alleen Alger Hiss in de beklaagdenbank maar ook de New Deal, ook Jalta, ook het Amerikaanse liberalism. Stryker deed er alles aan om Hiss te portretteren als een toegewijd en betrouwbaar vertegenwoordiger van de Roosevelt-politiek en om Chambers te demoniseren als een sinistere pion in een rechtse samenzwering, die er slechts op uit was Roosevelts erfenis in diskrediet te brengen. De lange lijst met vooraanstaande progressieve Amerikanen die het binnen en buiten de rechtszaal voor hun held opnamen, vormt een aardige staalkaart van vooruitstrevend Amerika in die dagen. Voorop natuurlijk de onvermijdelijke Eleanor Roosevelt, maar in haar kielzog de Supreme Court rechters Felix Frankfurter en Stanley Reed, Adlai Stevenson, Dean Acheson, de minister van buitenlandse zaken, persoonlijk vriend van Hiss, en, last but not least, president Truman, die de zaak al in het beginstadium had afgedaan als een “red herring”. Voeg daarbij een lange lijst van hoogleraren, schrijvers en hoofdredacteuren die zich in het Hiss-kamp roerden. Zo had mevrouw Roosevelt ongetwijfeld gelijk toen ze in haar column “My Day” op 8 juni 1949 opgetogen schreef: “One gets the feeling as one reads the newspaper accounts that Mr. Chambers is on trial and not Mr. Hiss.”

Er is nog een tweede verklaringsgrond voor de faam van dit boek onder conservatieven. Op de een of andere manier komen veel van de later in de conservatieve beweging zo druk bediscussieerde thema’s in het monumentaal autobiografisch verhaal van Witness uitvoerig aan de orde: de aantrekkelijkheid van het communisme voor intellectuelen, de geestelijke verwantschap tussen liberals en radicalen, de New Deal als verderfelijke breuk met de Amerikaanse traditie en als natuurlijke voedingsbodem voor communistische infiltratie, de rampzalige buitenlandse politiek inzake Oost-Europa en China, maar ook en vooral, het diep doorleefde idee van een beschaving geteisterd door een zware geestelijke crisis, van het communisme als ernstigste symptoom van die crisis. Dit laatste kan zonder meer als hèt hoofdthema van het boek beschouwd worden. Het is vooral in dit geestelijk kader dat Chambers zijn leven beschrijft.

Opgegroeid als een gevoelig, eenzelvig en leergierig jongetje in een dan nog landelijk Long Island, in een rommelig semi-artistiek milieu, bespaart hij de lezer de depressieve taferelen niet van een rampzalig ouderlijk huwelijk dat in een sfeer van, zoals hij het zelf noemt, emotionele en fysieke anarchie, uit elkaar valt. Een jeugd waarop de slagschaduwen van de zelfmoord van zijn aan alcohol verslaafde broer en de opkomende krankzinnigheid van zijn grootmoeder vallen. De middelbare school heeft hem weinig te bieden, maar wel stort hij zich, gestimuleerd door zijn moeder, op de studie van een aantal levende en dode talen. Als teenager correspondeert hij met een in die dagen bekend filoloog, George Frazier Black, die hem helpt met de studie van het Arabisch, Perzisch en het Assyrisch spijkerschrift. Voor Black doet hij zelfs veldwerk in een nabijgelegen kamp van Roemeense zigeuners. Later loopt hij van huis weg en leeft een tijdje in het proletarisch milieu van arbeiders die een trambaan in Washington aanleggen en verblijft hij in bittere armoede in een bohémienmilieu in New Orleans. Deze hele jeugd vormt een uiterst opvallend eclectische leergang, maar wat de lezer vooral bij blijft is de sfeer van totale vervreemding en maatschappelijke ontreddering. Chambers en zijn familie voelen zichzelf outcasts, geen vrienden, weinig sociale banden, geen kerk, geen lokale gemeenschap: “We could scarcely be more foreign in China than in our alienation from the life around us”. Voeg daarbij het linkse geestesklimaat op de Columbia University waar hij in de jaren twintig ging studeren en we hebben in grote trekken de achtergrond geschilderd van de Whittaker Chambers die in 1925 besluit lid te worden van de Communistische Partij.

Men hoeft zich niet schuldig te maken aan het leggen van simplificerende Freudiaanse of sociologische verbanden om in het eerste deel van deze autobiografie althans een deel van het antwoord te zien op een van de vragen die Chambers zichzelf stelt: hoe werd ik communist? Natuurlijk, het latere optreden van Stalin is niet zo maar geheel te herleiden tot de wrede, dronken Georgische schoenlapper die zijn zoontje voortdurend alle hoeken van de kamer liet zien en sommige communistische intellectuelen kwamen uit keurige burgerlijke gezinnen met liefhebbende ouders en zondagse kerkgang, maar de uitvoerige autobiografische schets van Chambers’ jeugd leidt desalniettemin onweerstaanbaar naar de gedachte die de grote conservatieve socioloog Robert Nisbet – zelf altijd lichtjaren van iedere totalitaire verleiding gebleven – in zijn The Quest For Community verwoordde toen hij de aantrekkingskracht van het communisme analyseerde: “The evidence is strong that the typical convert to communism is a person for whom the process of ordinary existence are morally empty and spiritually insupportable. His own alienation is translated into the perceived alienation of the many. Consciously or unconsciously he is in quest of secure belief and solid membership in an associative order.” Talloze malen schetst Chambers zijn geestesgesteldheid van toen als bepaald door een geloof aan een “stervende wereld”, aan een beschaving “die een volgende wereldoorlog niet zal overleven”, aan een “crisis van de geschiedenis” die denkende mensen tot wanhoop brengt: “The dying world of 1925 was without faith, hope, character, understanding of its malady or will to overcome it.” Schlesinger Jr. herleidde in een kritische bespreking uit 1952 Chambers’ besluit van 1925 primair tot de tragedie van zijn familie in plaats van tot een crisis van de geschiedenis, maar het is heel wel te verdedigen dat algemeen en persoonlijk crisisgevoel in het boek onontwarbaar door elkaar heen lopen en dat de melancholische toon die de lezer vaak in het boek aantreft zowel persoonlijk als historisch van karakter is. Met dat laatste wordt hier vooral gedoeld op het uitgesproken pessimisme waarmee Chambers na zijn breuk met de partij de strijd tussen het Westen en het communisme tot zijn dood is blijven zien, een punt dat tijdens de Koude Oorlog in sommige conservatieve kritieken wat onderbelicht bleef. In 1937, zo schrijft hij in 1952, koos ik voor de verliezende partij en “almost nothing that I have observed, or that happened to me since, has made me think that I was wrong about that forecast.”

In het middendeel van het boek volgen de belevenissen van Chambers in de communistische partij, een partij die in de jaren twintig eerst en vooral een immigrantenpartij was. De rokerige zaaltjes met nijver vergaderende proletariërs (“Cumreds! The potato crop has failed in Ireland and thousands of peasants are starving to death. Cumreds! What are we doing to help the starving workers and peasants of Ireland?”) , de naargeestige factiestrijd en het vanuit Moskou gestuurde proces van stalinistische disciplinering, het wordt ons uitvoerig en kleurrijk voorgezet, want schrijven kon Chambers. Dat doet hij in deze periode vooral in de Daily Worker, waarin hij voor het eerst een rubriek met arbeiderscorrespondentie opzet. Naast vertaalwerk om het karig redacteurenloontje wat aan te vullen begint hij “proletarische” korte verhalen te schrijven, een activiteit die hem begin jaren dertig lof in Russische literaire bladen en het hoofdredacteurschap van het communistische blad New Masses oplevert. In het redactielokaal van dat blad gaat op een warme junidag in 1932 de telefoon. Voor hem op zijn bureau liggen de bijdragen voor het nieuwe nummer. Dat zal niet meer onder zijn leiding verschijnen, want het telefoontje vormt de opmaat voor een geheel nieuwe wending in Chambers’ communistische loopbaan: “Comrade Bedacht was about to summon me into crypts of Communism that I scarcely dreamed existed, into its deep underground, whose door was about to close noiselessly behind me almost as if I had never existed.” Chambers verdwijnt uit de bovengrondse partij en gaat op in geheime netwerken, eerst in New York, later in Washington DC. Die netwerken staan niet onder leiding van de partij, maar van vertegenwoordigers van de Vierde Sectie van de Sovjet Militaire Inlichtingendienst.

Een van de mannen met wie hij in deze periode samenwerkt, is de sinistere Russische kolonel Bykov. Deze Bykov wordt met bijzondere aandacht door Chambers beschreven als een typische vertegenwoordiger van de nieuwe generatie communisten die onder Stalin de kaderfuncties van de CPSU ging vervullen. Bot, humorloos, zonder veel culturele of intellectuele bagage, zonder ook maar enige diepere kennis en inzicht betreffende de Amerikaanse samenleving en toegerust met een volstrekt amorele levenshouding is Bykov de man die slechts met diepe minachting kan spreken over de oude revolutionaire intelligentsia waarvan de laatste vertegenwoordigers in deze periode in de sovjetkampen verdwijnen. Bykow’s grote held is daarentegen Netsjajew, de negentiende-eeuwse Russische revolutionair die de revolutionaire logica tot zijn laatste grens voert, die over lijken gaat en voor wie moord, kidnapping, brandstichting en chantage geoorloofde middelen zijn in de strijd voor het socialisme. Het is deze Netsjajew die model stond voor de in Boze Geesten van Dostojewski optredende Pjotr Werchowenski. Dostojewski begon aan deze roman nadat hij in een Duitse krant een bericht gelezen had over de moord op een student door vijf andere leden van een geheime terroristische organisatie, “Volksgericht”. Het slachtoffer had met de samenzweerders willen breken. Oprichter van “Volksgericht” en aanstichter van de moord was Netsjajew. Zonder enige twijfel heeft de schrijver van Boze Geesten grote invloed op het denken van de Chambers van 1952 gehad. Niet alleen wordt de roman diverse keren genoemd, maar Chambers neemt in feite de gehele polemiek van Dostojewski tegen het socialisme en het westers progressief denken impliciet over. Het is het westers rationalisme en secularisme dat via de verwerping van God leidt tot de vergoddelijking van de mens. Net als Dostojewski ziet Chambers het socialisme niet primair als het antwoord op economische of sociale problemen maar als een politieke vertolking van het atheïsme. De Toren van Babel gebouwd zonder en tegen God en dus niet om vanaf de aarde de Hemel te bereiken, maar om een Hemel op aarde te bereiken. En net als bij Dostojevski is er voor Chambers te dezen geen essentieel verschil tussen liberalen, radicalen, socialisten en communisten. Zie hoe de Russische schrijver in een brief aan de latere Alexander III de betekenis van Boze Geesten toelicht: “Het is een bijna historische studie, waarin ik heb getracht te verklaren hoe in onze vreemde maatschappij dergelijke monsterlijke verschijnselen als de misdaad van Netsjajew kunnen voorkomen … Onze Belinski’s en Granowski’s zouden hun oren niet geloven als hun verteld werd dat zij de regelrechte stamvaders van Netsjajew waren. Het is deze verwantschap en overdracht van gedachte, van vader op zoon, die ik in mijn roman heb willen uitbeelden.” Zoals de romanfiguur Pjotr Werchowenski is afgeleid van de historische terrorist Netsjajew, zo is zijn vader, Stefan Werchowenski, een karikaturaal literair afgietsel van de in die dagen bekende en invloedrijke liberale hoogleraar Granowski. De Russische nihilisten en socialisten zijn de natuurlijke erfgenamen van de vooruitstrevende liberalen. Wij zijn hier via Dostojewski en Chambers bij een belangrijk thema uit de naoorlogse Amerikaanse conservatieve beweging aangekomen, dat wat Nash aanduidde als de filosofische continuïteit binnen Links. Of met een woord van Eric Voegelin kort samengevat: .”if liberalism is understood as the immanent salvation of man and society, communism certainly is its most radical expression.”

Het communisme is volgens Chambers de meest radicale moderne versie van het op een na oudste geloof van de mensheid, een geloof dat we in Genesis geboren zien worden in de woorden van de slang tot de mens die verleid wordt met de belofte “dat gij als God zult zijn”. Hier zijn we dan gekomen aan wat Witness volgens mij in diepste wezen is. Geen politiek traktaat, geen manifest, geen politieke autobiografie met herinneringen aan een welgevuld en geslaagd leven, maar het verhaal van een bekering, zoals ook de eerste autobiografie uit de westerse geschiedenis een bekeringsverhaal is. En zoals men het relaas in de Belijdenissen leest tegen de achtergrond van de laatantieke wereld met zijn door Augustinus zo lang gevoelde manicheïstische lokroep, zo leest men het boek van Chambers tegen de achtergrond van de twintigste-eeuwse verlokkingen: “..out of my weakness and folly (but also out of my strenght), I committed the characteristic crimes of my century, which is unique in the history of men for two reasons. It is the first century since life began when a decisive part of the most articulate section of mankind has not merely ceased to believe in God, but has deliberately rejected God. And it is the century in which this religious rejection has taken a specifically political form, so that the characteristic experience of the mind in this age is a political experience.” Niet voor niets bevat de eerste zin van het boek een verwijzing naar Lazarus (“In 1937 I began, like Lazarus, the impossible return.”) en niet voor niets bevat al de eerste alinea een subtiele toespeling op de eerste dichtregels van de Divina Comedia wanneer Chambers de beproevingen opsomt van een man, “who undertakes to reverse in mid-course the journey of his life.” Witness moet dus allereerst gelezen worden als een verslag van een verrijzenis uit de geestelijke dood, als een pelgrimage die de ziel onderneemt van de duisternis naar het licht, als een zoektocht uit de morele en geestelijke verwarring van onze tijd naar wijsheid, als een doorbraak uit het moderne bijgeloof in de autonomie van de mens naar het authentieke geloof in de soevereiniteit van God en dat alles geschilderd tegen de helse achtergrond van de geschiedenis van de vorige eeuw.

-Theo Parlevliet

Nawoord

Tot op de dag van vandaag kan men nogal wat vooruitstrevende Amerikanen aantreffen die denken dat Alger Hiss het slachtoffer van een rechts complot was. Zelf heeft hij dat tot zijn dood in 1996 volgehouden. In 1957 gaf hij zijn visie op de zaak in In the Court of Public Opinion. Hij herhaalde dit in het in 1988 verschenen Recollections of a Life. In het bovenstaand stuk wordt zonder meer van de schuld van Hiss uitgegaan. Ik baseer dit op het boek dat als het historisch standaardwerk over de zaak beschouwd kan worden: Perjury: The Hiss-Chambers Case dat Allen Weinstein in 1978 publiceerde. Toen Weinstein aan het onderzoek begon, stond hij sympathiek ten aanzien van Hiss. Maar al gaande het onderzoek kwam de auteur steeds meer tot de conclusie dat Hiss zich wel degelijk schuldig heeft gemaakt aan meineed. Materiaal dat in de jaren negentig nog beschikbaar kwam, b.v. uit Russische en Hongaarse archieven, heeft die conclusie niet in gevaar gebracht. Ook een recent verschenen kritische biografie over Chambers (Whittaker Chambers. A Biography), geschreven door een redacteur van de New York Times, Sam Tanenhaus, bevestigt de getuigenis van Chambers.

 

De boven aangestipte bespreking door Arthur M. Schlesinger is gebundeld in The politics of Hope (Londen 1964).

Wie nog steeds gelooft dat de omvangrijke communistische infiltratie in het Amerikaanse regeringsapparaat in die jaren voornamelijk bestond in het hysterische brein van een senator uit Wisconsin wordt verwezen naar de literatuur die M. Stanton Evans bespreekt in het voorjaarsnummer van Modern Age van het afgelopen jaar (“In Sight of a New History of the Cold War” Vol.43,No.2). In het zomernummer 2001 van hetzelfde tijdschrift (Vol.43,No.3) verscheen ter gelegenheid van het feit dat Chambers honderd jaar geleden geboren werd een prachtig herdenkingsartikel door Matthew Richter.

Witness wordt uitgegeven door Regnery Publishing in Washington, DC.

Comments are closed.